Dit is een van de lessen die beschikbaar zijn.

voor een kompleet overzicht van meerdere informatie pakketten klik verder op lesmateriaal.

Bits and bees, een site met BIJna alles over bijen

CURSUS    VERZORGEN    BIJENTEELT

 

Lesmateriaal bij de basiscursus voor imkers

 

Jan Tempelman.   Landsmeer, 2001


------------------INHOUDS OPGAVE-------------------------------
Inleiding

Les 1  Kennismaking met elkaar en met de bij

Les 2   Het nest Les 3   Van ei tot bij Les 4   Ontwikkeling van het bijenvolk in de loop van het jaar Les 5  Bedrijfsmethode Les 6   Onze werkmethode Les 7a   Bijenprodukten Les 7b    Ziekten




Voorwoord, inleiding:

Imkeren leerde men vroeger van vader op zoon, of bij een "bijenvader", de leermeester. Tegenwoordig worden er verschillende cursussen aangeboden.
We onderscheiden:
Cursussen voor "beginners" gegeven door een imkervereniging of een zelfstandige imker.  Meestal een aantal zaterdagen praktijk, en een avond theorie
Deze gelden als de zg. Grijze cursussen. Vorm en inhoud van deze cursussen zullen zeer verschillend zijn. De oriëntatie op de gene die de cursus geeft zal sterk zijn. Vorm en inhoud zullen alleen door hem bepaald worden. Controle daarop blijft veelal achterwege.
Vaak ook organiseren verenigingen "kennismaking curussen" een zeer korte cursus van 2 á 3 middagen om de eerste schreden te zetten op het imkeren.
Naast deze ongecontroleerde cursussen zijn er via het Agrarisch onderwijs "officiële" cursussen

Het Agrarisch onderwijs wordt in Nederland verzorg door de AOC's Agr. Onderwijs Centrum
Cursusssen zijn wat eindtermen betreft vastgelegd in het document: Overzicht Diploma's en Certificaten (ODC)

Het aantal lessen bedraagt ongeveer:
8 x 2 uur theorie en 12 x 2 uur praktijk

Door de professionele (?) aanpak via het rijks georganiseerde onderwijs zijn de normale uurloon vergoedingen voor de docenten gewaarborgd.
Docenten zijn veelal imkers met een normale onderwijs bevoegdheid en een aantekening voor bijenteelt, biologie docenten, kleinvee docenten (AOC -term) met aantekening bijenteelt.
Het AOC kent twee typen cursussen voor veehouderij, tw.:  VERZORGEN EN UITVOEREN.
De AOC imkercurssusen heten dan ook Verzorgen bijenteelt en Uitvoeren bijenteelt.
Je kunt ze inschatten als beginners- /basiscursus en een gevorderden cursus.
Naast deze cursussen bestaan er specialistische bijscholings cursussen veelal afhankelijk van plaatstelijke initiatieven.
- Koninginnenteelt
- Honingkeurmeester
- Stuifmeel analyse cursus
- Erfelijkheid, selectie en teelt
- Darreraatmethode cursus (een biologie bestrijding van een predator)
- Kunstmatige Inseminatie (KI)
- (bijen) Planten cursusen
- Bestuivings imker
- Speciale imker bedrijfsmethoden cursus (doppenprojekt, Snelgrove methode, Renson, enz)
- ÷÷..
De navolgende cursusmateriaal bevat de theorie deel (de lessen en een aantal bijlagen) van een officiële AOC curus "verzorgen", met 8 x 2 uur theorie en 12 x 2 uur praktijk.
 



Theorie les 1
- Kennismaking, verwachtingspatroon van de cursisten.
- Doel en opzet van de cursus.
- De honingbij (Apis mellifera): werkster - dar - koningin - volk.
- Het bijenjaar in vogelvlucht
- De bijensteek.

Doel en opzet van de cursus.
De bezigheden van een bijenvolk is sterk gebonden aan de seizoenen. We spreken zelfs over een bijenjaar.
Daaruit vloeit bijna automatische dat een kennismaking met een bijenvolk en haar leven een heel (bijen)jaar moet beslaan. Gelukkig is er in de wintermaanden niets te doen "in" de volken; waardoor het actieve deel (de praktijk) loopt van half april tot half september. Logisch dat een stevig theorie gedeelte in het vroege voorjaar moet beginnen. Met nog een kleine afronding in eind september/begin october
In het theorie gedeelte willen we het benodige inzicht en kennis vergaren, die voor een "behandeling" van de volken gnoodzakelijk is. Het waarom en hoe. In de praktijk zullen we de absoluut minimale handelingen ook daadwerkelijk uitvoeen, met als afsluitende feest: de OOGST.

Cursusopzet met data  behoorlijk fictief dus!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!
 

De honingbij (Apis mellifra)
De honingbij behoort tot de groep van insecten.
(zie bijlage 3) Insecten zijn een succesvolle leefvorm; zij beslaat ongeveer 73 % van de levende massa op aarde. Naast de honingbij zijn er nog duizenden andere soorten bijen, waarvan de meeste solitair leven. Naaste familie zijn de hommels, wat verder weg staan de wespen. Insecten kun je gemakkelijk herkennen aan het aantal poten; bij deze groep 6.
In deze groep behoren ze tot de sociaal levende insecten. Dat betekend dat ze in een groep bij elkaar leven als een eenheid. Ieder in de groep heeft haar/zijn specifieke taak, bv. voedselverzamelen, voedselverwerking, schoonmaak diensten, raten bouw of verdedigster van het nest. Bijen zijn geen carnivoren. Wespen wel. Bij Insecten die hun bestaan op een degelijke wijze inricht hebben spreken we van een VOLK.
Vroeger sprak men van "IMME". Een individu kan niet zonder dat volk bestaan en zal na enige tijd sterven.
In een bijenvolk vinden we mannelijke en vrouwelijke bijen. (zie bijlage 4) Mannetjes heten DAR. Ze zijn duidelijk de grootste en ze bezitten geen angel dus kunnen niet steken. Hun aanwezigheid is alleen maar voor de voortplanting, ze zijn dan ook niet het gehele jaar aanwezig maar alleen in de tijd dat jonge onbevruchte koninginnen aanwezig kunnen zijn. Dus voorjaar en zomer. In de herfst worden ze niet meer in het volk geduld en worden ze verwijderd; de zg. darrenslacht. Bij zeer grote volken wil er wel eens een de slacht ontkomen.
Een andere rol hebben de darren niet. Toch hebben ze een functie die vergelijkbaar is met olie in een motor. Wie alle darren uit een volk weert zal merken dat de bijen gefrustreerd raken en hun taken niet meer naar behoren zullen verrichten.
Darren zijn in elk volk welkom, dus ook in een vreemd volk. Ze schijnen vele wisselingen in woonplaats te hebben, het zg. vervliegen. Door dat vele vervliegen wordt het erfelijke materiaal ook over grote afstanden verspreid. Fourageren kunnen darren niet, ze moeten door de werksterbijen worden gevoerd. Op het punt tussen voorjaar en zomer bedraagt het aantal ongeveer 10% van de totale bevolking.
Het vrouwelijke deel van het volk bestaat uit twee "kasten": de werksters en de koningin.
Alleen de laatste kan zich voortplanten, de eerste hebben deze mogelijkheid niet. Hun eierstokken zijn onderontwikkeld en zij zijn niet bevrucht. Werksters komen in grote aantallen in het volk voor. 's Winters ongeveer 15.000-20.000 en op het hoogtepunt ongeveer 40 - 60.000. Ze worden zomers 6 weken oud, vanaf sept kunnen ze veel ouder worden tot wel 6 maanden. Werksters hebben een aan hun leeftijd gerelateerde taak.
De koningin is de enige die zich kan voortplanten. In de vruchtbare periode (voorjaar, zomer) produceert zij 1500-2000 eitjes per dag. Dat is een hoeveelheid in gewicht die ongeveer gelijk is aan haar eigen lichaamsgewicht. Het moge duidelijk zijn dat alle werksters in een bijenvolk in principe allen nakomelingen zijn van die ene koningin.
------------
De KONINGIN wordt ook wel MOER genoemd.
Ik zal beide woorden door elkaar gebruiken.
------------
Behalve eitjes produceert zij ook een uiterst belangrijk feromoon (een soort geur- of ruikstof) deze feromonen zorgen er bv. voor dat de eierstokken van de werksters niet tot ontwikkeling komen. Verwijderd men de kon. uit een volk dan zal na enige tijd een aantal werksters aan de leg zijn. En de bijen zullen een zoektocht beginnen om haar te vinden (ze zoeken ook buiten de woning) Er ontstaat zelfs iets van chaos, steeklustigheid, werkverweigering, enz.
Een kon. kan 5 jaar oud worden. Maar imkers zorgen er meestal voor dat ze na twee jaar word vervangen. Als een vrouwelijk eitje speciaal voedsel krijgt wordt het koningin, krijgt het slecht karig voedsel dan wordt zij werkster. Het verschil of een ei, werkster of kon. wordt is alleen afhankelijk van het voedsel welk het krijgt in het larve-stadium (hierover later meer) Een nieuwe kon. is ongeveer 5 dagen na haar geboorte bronstig. Zij zal dan een paar keer op "bruidsvlucht" gaan. Zij vliegt daartoe naar een "darrenverzamelplaats". Alle wetenschappelijke onderzoekingen hebben tot op heden het geheim van z'n plaats nog niet kunnen achterhalen. Hoe, waar, waarom daar, enz is nog steeds een raadsel. Z'n plaats kan op vele kilometer van haar volk liggen. Op die "bruidsvlucht" wordt zij door wel 20 darren bevrucht. Het verkregen sperma slaat zij op een speciaal orgaan, de zg. spermatheca. Zij heeft dan genoeg sperma om haar hele leven naar believen eitjes te bevruchten. (zie: 2000 per dag, 5 jaar)
Legt de kon een eitje en doet ze daar sperma bij ontstaat een werkster (of koningin) legt zij een eitje zonder sperma dan komt daaruit een dar. DARREN hebben dus geen vader!!!!
De werkelijke bevruchting vindt hoog in de lucht plaats 20-25 meter. Dit heeft men in kunstmatige omgeving nog nooit kunnen nabootsen, wel heeft men de mogelijkheid van kunstmatige inseminatie onder de knie.(K.I.)

Het bijenjaar in vogelvlucht  (of in bijenvlucht)
Het leven van een bijenvolk hangt nauw samen met haar omgeving. Voedselaanbod, temperatuur, daglengte, enz, enz, bepalen in hoge mate hoe een volk zich gedraagt.
Sommige situeren het bijenjaar van september tot september. En daar is wat voor te zeggen. In september neemt de legactiviteit van de kon. af. In de winter zal er misschien nog maar één eitje per dag worden gelegd. In september. is ook het laatste voedsel binnen gebracht. En naarmate de temperatuur zak zullen de bijen steeds dichter bij elkaar kruipen op de zg. wintertros. Koningin netjes in het midden. Zij is immers de stamhouder voor het volgende voorjaar. Langzaam zullen ze zich door het voer heen eten, en de temperatuur zak in het midden van de tros naar 15 C, de buitenkant van de tros zal de omgeving temp aannemen. Dat kan dus zeer koud zijn. Bijen kunnen dan met hun grote vliegspieren trillen en zo de benodigde warmte ontwikkelen die nodig is om niet van de kou te sterven. In z'n wintertros verwisselen de werksters langzaam van plaats. Dus iedereen wordt een paar keer zeer koud.
Op de eerste mooie dag in de late winter / vroege voorjaar gaan de bijen dan op reinigingsvlucht. Op het moment van winterstros worden er wel fecaliën geproduceerd, maar deze worden in de endeldarm bewaard. Op de reinigingsvlucht komen de bijen massaal naar buiten om zich er van te ontdoen. Je zal zien: precies de dag dat de buurvrouw haar witte was voor het eerst dit jaar buiten te dragen heeft gehangen. BLIJKEN ZE DAAR TOCH EEN VOORKEUR VOOR TE HEBBEN. Poepluiers dus!!!!!!
Vanaf maart zal de legactiviteit weer groter worden en zullen er nieuwe bijen worden geboren. Ook darren worden er weer geboren. De winterbijen nemen nu in aantal af. Het absolute minimum aantal ligt ongeveer op 1 april. Jonge bijen zullen invliegen en zo de omgeving in hun geheugen printen. Is het voorjaar voorspoedig, weer en voedselaanbod (dracht) voldoende, dan zal het volk snel groeien, en zal in mei de zg. zwermperiode aanbreken (het hele volk reproduceert zich) De oude kon. zoekt met ongeveer de helft van de werksterbijen een nieuwe woning, nadat zij een aantal eitjes in speciaal daarvoor gemaakt cellen heeft gelegd waarvan de resterende bijen nieuwe koninginnen kunnen produceren. Na een voedselverzameling gedurende voorjaar en zomer treed dan weer in sep de winter rust in.
Het verwerken van prikkels.
Bijen bezitten een aantal waarnemingsorganen (receptoren) Die prikkels uit de buitenwereld waarnemen en via het zenuwstelsel worden doorgegeven. Dat zorgt dus voor passende reacties. Receptoren zijn er voor mechanische, chemische, thermische, lichtprikkels (ook gepoliseerd licht) aardmagnetisme. Een bij kan dus horen, zien, proeven, ruiken en voelen. Verder is zij gevoelig voor feromonen. Een belangrijke kant van het imkeren is het herkennen van die prikkels en de mogelijke reacties.
Enige voorbeelden:
Een bij bezit twee zg. facetogen, zij kan daar niet zo erg goed mee voorwerpen onderscheiden, maar de gevoeligheid in frequentie is wel erg groot.
Mensen kunnen tot 16 beeldjes per seconde nog net onderscheiden, bij bijen gaat dat tot over de honderd per seconden.
Zij kunnen dus niet zo goed iets wat stilstaat onderscheiden, maar wel iets wat snel beweegt. Imker doen dan ook alles in een volk in "slow-motion". Bijen kunnen uitstekend ruiken, een paar druppels goede parfum van bloemen zal hen gek maken..hier zijn ergens zeer veel bloemen maar waar???Zoek zoek zoek dus. En dat doen ze dus door veel te bewegen!!!
Of bv. after-shave. Ook om gek van te worden dat geurtje!!!! Of transpiratie!!!!!!!
Hé, rook, brand, vlug nog mijn maag vol eten voor we gaan vluchten. Met een volle mag steekt het slecht.
Resumé:
Voor je "IN DE BIJEN" gaat, handen afspoelen met schoon water, geen "lekker ruikende zeep, geen aftershave, geen parfum.

Bijensteken zijn onplezierig (behalve voor mensen die aan zg. Apitherapie doen) en niemand zit er op te wachten. Toch zal er door de imker op steken moeten worden gerekend!! Maar door het gedrag van de bijen te leren kennen kunnen er vele worden voorkomen. Meestal heeft de imker het aan zichzelf te wijten dat hij gestoken wordt.
Nou is een steek ook weer niet zo vreselijk erg, maar het is wel vaak lastig, vooral in de eerste jaren van het imkeren.
Wordt je gestoken dan zal de angel van de bij door dat het weerhaakjes bezit in je huid achterblijven Ze scheurt geheel uit het lichaam van de bij inclusief het gifblaasje. Dat orgaantje zal nog lang kunnen "doorpompen" en al zijn gif dus onder je huid pompen. ZAAK IS DUS om SNEL te handelen en de angel inclusief gifblaasje te verwijderen. Dat doe je niet door het met duim en wijsvinger vast te pakken, dan immers druk je het gif er zelf uit. SCHRAPEN IS DE IDEALE METHODE. Met de nagel, de kastbeitel of iets anders scheps.
Maar ook als je er snel bij bent zal het een pijnlijk gevoel zijn. Dat gevoel verdwijnt weer zeer snel. Echter het gif zit dan al wel onder je huid en je lichaam zal die gifstoffen te lijf gaan. Een flinke zwelling en jeuk zullen het gevolg zijn. Duizeligheid en lage bloeddruk kunnen ook het gevolg zijn. Maar er is een troost....naarmate je vaker gestoken wordt, neemt de reactie af en wordt je er immuun voor. Bij sommige mensen kan echter bij een TWEEDE steek het afweer mechanisme zodanig in verwarring komen dat er sprake is van een anafalistische shock. Het enige wat er dan op zit is zo snel mogelijk een arts opzoeken. (tel 112, mobieltje!!!) Meestal is een therapie met adrenaline voldoende. En mocht je alleen ver van hulp zijn: 2 aspirientjes doen het ook. Mensen die een anafalistische shock krijgen kunnen via de arts ook een speciale injektiepen met adrenaline bij zich dragen om zichzelf evt. injecteren.

Bijlage 3: Systemetiek van het dierenrijk
Bijlage 4: soorten bijen in één volk
 
 



Theorie les 2
- Bijenwoning; natuurlijke holte, korf, (spaar)kast, bijenruimte, raten, cellen, raampje, ratenbouw en dienst van de raten
- Het voedsel en de bijen producten
- Nectar, stuifmeel en water
- Standplaats van de volken

Historie
De eerste kennismaking van de mens met de bijenwereld en zijn honing is ongetwijfeld die als honingjagers. Men zocht en vond, misschien wel met behulp van het honingvogeltje, wilde bijennesten en beroofde hun van de zoete inhoud. In bepaalde delen van de wereld gaat dat nog steeds zo. (bv. Zuid India)
In het Duits heet z'n imker Zeidler (woudimker) Hij wist op den duur waar volken een geschikte ruimte hadden gevonden. Nadat hij er achter was gekomen dat bijenvolken veelal een ruimte bezetten van ongeveer 40 liter inhoud gingen hij die ruimte ook kunstmatig maken. Handig, met een luikje aan de achterkant. Door niet AL de raten er uit te breken bij het wegnemen van de honing en dat in het late voorjaar te doen, werden de raten keurig weer hersteld en kon z'n volk in principe "eeuwig" mee. Het jaar daarop werden dan de andere raten weggebroken. Hierdoor werd dus voor zeer regelmatige raat vernieuwing zorg gedragen. Pas in 1930 is in Oost Polen de laatste Europese Zeidler er mee opgehouden.
Dat uithakken van een ruimte van 40 liter in een boom behoeft natuurlijk niet persé in een levende boom te gebeuren. Ook een stuk boom van ongeveer 1 meter lengte is daartoe reeds geschikt.
Uit dat gegeven ontstonden de zg. Klotzbeute. Een vervoerbare (?) bijenwoning. Hierdoor konden de bijen dicht bij huis worden gehouden.
In Egypte hield men 6000 jaar geleden bijen in keramieke buizen. Ze waren ongeveer een meter lang, hadden 25 cm doorsnee en waren aan de einden afgesloten met een keramische deksel. Één deksel voorzien van een vliegopening. Deze buizen werden horizontaal opgestapeld. Hele muurtjes ontstonden. De bijen hebben de neiging om het stuk waar nieuwe bijen worden gemaakt (het broednest) aan de voorzijde van de woning te plaatsen, daar waar het vlieggat is. De honing wordt dan achterin opgeslagen. Dus door de honing te oogsten aan de achterzijde en dan de deksletjes te verwisselen is ook een permanente raatvernieuwing gewaarborgd.
Om rendement te halen uit een zo "volle bijenstal" werden volken op schepen geplaatst. Beginnend in het zuiden van de Nijl konden de imkers als dus stroomafwaarts varend optimaal van de voorjaarsbloei gebruik maken. In de zomer moeten zij dan in Alexandria met volle honingkamers zijn gearriveerd. Doordat bijen bij daglicht reeds gaan foerageren. kan er wel alleen maar 's nachts gevaren worden. ('n Paar jaar geleden heeft een duitser dat op de Rhone (Fr.) nog eens dunnetjes over gedaan; wel stroom opwaarts!!!! )
Deze manier van imkeren (keramische buizen) is overgewaaid naar Afrika en Azië en Europa. Van Aristoteles en Vililius weten we dat de Grieken en Romeinen "Buizen" gebruikten met wel 26 raten. Een eenvoudige rekensom dat de bijenwoning korter was dan de Egyptische , maar hij was wel 7 cm meer in diameter. Er werd 3 maal per jaar geoogst. In mei werd 4/5 deel van de voorjaarshoning uitgesneden. In juni nam men 9/10 van de Griekse zomerhoning; meestal thijm. En in oktober werd 3/4 van de laatste honing weggenomen, meestal dus heide, klimop en tamarisk. Het resterende deel mochten de bijen houden om de winter door te komen. In dat soort klimaten meestal geen probleem.
Een van de ontdekkingen die zij gedaan hebben had volgende uitkomst:
Een keramische pot ongeveer 50 cm hoog met een diameter van ± 40 cm, iets taps naar onder toelopend , gelijk aan een grote bloempot. Op de openruimte werden latten gelegd, hart-op-hart precies 35 mm uit elkaar. Het geheel afgedekt met een laag bladeren en een steen. Bijen bouwden de raten nauwkeurig aan de laten vast, maar niet aan de zijkanten aan het keramiek. Zo konden ze dus latje voor latje uit een bijenvolk halen en de aanwezige honing eruit snijden. Een voorloper van de moderne bijenwoning. En nog steeds in een iets andere vorm in gebruik in vele landen in Afrika.
( Kenia topbar hive)
In onze streken (even globaal noord/west europa) werden nooit keramische buisvormige bijenwoningen gebruikt. Een alternatief was een strokorf. Veel lichter in gewicht als de Klotzbeute. Wanneer de korf is "uitgevonden" is onbekend, maar reeds in 1300 komen ze voor. En in Nederland nog volop in gebruik tot de tweede wereld oorlog. Sommige imkers hebben uit nostalgische reden een volk in een korf op hun bijenstal. Op folkloristische markten zitten nog wel een oude mannetjes (inclusief rode zakdoek met luciferdoosje en platte pet) korven te vlechten. Boven in de korf zitten een aantal spiezen waaraan de bijen de raten bouwen. Bij de oogst worden deze van buitenaf verwijderd. En kunnen de raten worden uitgesneden (eerste de bijen verwijderen, aub) Men noemt dit VASTE bouw.
In 1850 komt de Amerikaan Langstroth tot de ontdekking dan bijen alles wat dicht bij elkaar ligt dicht kitten en alles wat groter is dan 8 millimeter
te voorzien met een cel voor broed of honingopslag.
De ruimte van 6 a 7 mm wordt ongemoeid gelaten.     Die afstand heet de BIJENRUIMTE.
Het lijkt een onbelangrijke ontdekking, maar het tegendeel is waar. Het wordt nu mogelijk om bijen raat te laten bouwen binnen het kader van houten latjes. RAAMPJES DUS. En zitten die raampjes overal 6/7 mm van de wanden dan zijn ze zeer gemakkelijk te verwijderen. We noemen dit losse bouw.
Raampjes zijn er in zeer vele maten, in België had elk dorp of streek zijn eigen maat. Bij ons in Nederland hebben we EEN MAAT die door zeer veel imkers wordt gebruikt. Het is een overblijfsel van een engelse importkast uit begin 1900. Daarom heen is omstreeks 1950 een standaard kast gemaakt. De zg SPAARKAST**. Overal elders in de wereld wordt nog steeds met een "LANGSTROTH RAAMPJE gewerkt.
Vanzelfsprekend passen raampjes alleen maar in daarvoor gemaakt kasten (zie bijenruimte)
Op Belgische imkermarkten (een aanrader!) zie je altijd weer imkers met een duimstok.
Een andere uitvinding werd gedaan door de Duitse timmerman Mehring in 1857. Hem komt de eer toe de eerste kunstraat gemaakt te hebben. Deze kunstraat heeft niets met kunst te maken in de vorm van "onecht", maar alles met kunstmatig. Het zijn dus platen van zuivere bijenwas, voorzien van de "voordruk" van de bijencellen. Belgen noemen ze heel toepasselijk "waswafels", wij houden het op "kunstraat".
Gebruik van kunstraat heeft zo zijn voordelen. Zo wordt hergebruik van was mogelijk. Waar bijen het gebruiken hoeven zij het dus niet zelf "uit te zweten"
Door de kunstraat met dunne ijzerdraadjes vast te zetten (in te smelten) zijn ze ook veel steviger, waardoor er bv gemakkelijk de honing uitgeslingerd worden zonder dat ze kapot gaan.

Wat doen die bijen zoal met de raten.
Allereerst is het meubilair in de bijenwoning. Ze zitten er op, lopen er over, rusten er in uit. Daarnaast is het de bergplaats van honing en stuifmeel. Honing opgeborgen in een cel en voorzien van een luchtdicht dekseltje van was kan jaren houdbaar blijven. Als stuifmeel vermengt met honing dicht bij de larven wordt opgeslagen dan is het bijenbrood dus dicht bij de plek waar het nodig is. En broeden natuurlijk; de metamorfose van ei, via larve en pop naar volwassen bij.
Je zult op de raat in principe twee soorten cellen ontdekken, kleine cellen (5,3mm) en grote cellen (7,0mm) De kleine cellen worden gebruikt voor werksterbroed en voor de honingopslag, de grote cellen worden gebruikt voor de darren broed.
Aan de randen ontstaan nogal eens hechtcellen en in de overgang van grote en kleine zijn er nog wat tussencellen met afwijkende maten, die nergens voor gebruikt worden. Kleine cellen heten FIJNWERK, grote GROFWERK.
Geven we een volk alléén maar raampjes met "voordruk" van fijnwerk (5,3mm), dan zullen de bijen altijd een deel toch met grote cellen uitbouwen.
Ook is het mogelijk om een raampje met darrenkunstraat te voorzien. Dat kan ook nog een andere reden hebben, maar daarover later meer.
Wordt een cel bebroed dan zal een zekere vervuiling optreden. De poppen vervellen een aantal malen, en ze ontlasten zich. Zodra een nieuwe bij is uitgelopen zal de zaak dus goed schoongemaakt moeten worden. Poetst- werksters doen dat werk. De schrapen de binnenwanden af, maken men weer glad en polijsten het met een laagje propolis. Gepoetste cellen zijn weer klaar voor een volgende broedcyclus. De moer controleert de reinheid van de cellen voor zij er een nieuw ei in legt. Sommige imkers vinden dat je raat ten hoogste 3 a 4 jaar mee kan laten gaan, andere zweren bij: "hoe ouder, hoe beter".

De afstand tussen de raten. Merkwaardig is dat zich in Nederland bij gebruik van de spaarkast een hart op hart (hoh) afstand van 38,5 mm heeft ingeburgerd. Een bijenvolk die geen aanleiding vindt om raten op een door de imker aangeboden afstand te bouwen, houden een afstand hoh van 35 mm. aan. De hele wereld bouwt kasten met 35mm. Alle kasten zijn voor het broednest voorzien van 35 mm afstandrepen. Er gaan dan 11 raampjes in een spaarkast. De honingkamers hebben een hoh van 38,5 mm.(10 raampjes)
Er bestaan 3 manieren om de raampjes op die gewenste afstand te houden

Bewaren van raat buiten de kast moet met enige zorg gebeuren. Vooral gebruikte raat is een voedingsbodem voor (was)motten. Slecht opgeborgen raat kan in een winter totaal vernietigd worden. Een van de mogelijkheden is het opslaan in de openlucht met toch en licht. Twee dingen waaraan de wasmotten de pest hebben. Maar ook is mogelijk de raten op te bergen in kasten die 's winters niet gebruikt worden. Men moet daar dan wel een schaaltje azijnzuur aan toevoegen om de wasmoten en haar broed te verdrijven. Ook andere ziektekiemen en sporen van schimmels en bacteriën zullen sterven bij gebruik van azijnzuur. Benodigde hoeveelheid is ± 50 ml. per broedkamer. Het schaaltje wordt hoog geplaatst omdat azijnzuur damp zwaarder is dan lucht. Beneden de 15°C verdampt het echter niet. Een dot watten helpt de verdamping bij temperatuur net boven de 15°C.

Het voedsel en de bijen producten
VOEDSEL:   nectar, stuifmeel en water        (bijen eten dus geen vlees, dit in tegenstelling met wespen)
Producten:   honing, was, gif, propolis, koninginne gelei, bijenbrood.
Vele planten (niet alle!!) hebben insecten nodig voor een goede en doelmatige bestuiving. In de loop van de evolutie is daardoor een samenspel ontstaan. De bloem zorgt voor een herkenbare vorm, kleur, geur en nectar om de insecten te lokken. De krijgt voor haar bestuivingswerk nectar en/of stuifmeel retour. Doordat zij meerdere bloemen bezoek zorgt zij zo voor de noodzakelijke uitwisseling van erfelijk materiaal.
Nectar is plantensap met een verhoogd suikergehalte. Het is daardoor geschikt als insectenvoer als brandstof voor de motor. Spierarbeid. Bloemen geven zeer verschillende hoeveelheden nectar in wisselende samenstellingen. Veel hangt af van de bodemgesteldheid, het weer, de tijd van de dag, enz.
De hoeveelheden suikers in de nectar verschillen van 10 tot 80%, met een gemiddelde om de 20-25%. Wil honing geconserveerd worden tegen schimmels dan moet het suikergehalte minstens 80% zijn. Bijen zijn dan ook veel tijd kwijt om de nectar in te dikken; van het water te ontdoen. Om de verschillende suikers beter verteerbar te maken voegen zij enzymen aan de nectar toe die er voor zorgt dat de meervoudige suikers worden omgezet in enkelvoudige suikers.
Sacharose + invertase = glucose en fructose.
Is de honing "rijp", dus 80% suikers en 20% water, dan wordt de honing opgeslagen in de raat en met een deksletje afgesloten. Het moge duidelijk zijn dat die voorraad bedoeld is voor gebruik in slechte (winter) tijden.
Voor bouwstoffen hebben insecten eiwitten, vitamines en vetten nodig. Deze komen van stuifmeel (Eng.: pollen)
Stuifmeelkorrels zijn de mannelijke voortplanting cellen van bloemen. Stuifmeel wordt verzameld door de bijen in hun harenkleed, door als een "gek" door de bloem te "rauzen". Geheel bepoederde bijen zijn geen zeldzaamheid. Maar in haar achter poten heeft ze verschillende kammen om het uit haar haarkleed te verwijderen en in de twee achterpoten een speciaal pers in een kniegewricht om het stuifmeel (meestal vermengt met nectar)in zg. klompjes op te slaan.
In de kinderboekjes het dat: " kijk een bij met een geel broekje aan". Andere kleuren komen ook voor tot zwart toe. Stuifmeel wordt door de haalster zelf opgeslagen in de raat, en dient dan als voedsel voor de larven, en andere huiswerksters. In de literatuur wordt gemeld dat een bijenvolk zelf per jaar ruim 50 Kg. Nodig heeft per jaar. Recent Amerikaans onderzoek spreekt zelfs van ruim 150 Kg.
Water is voor de bijen belangrijk als er niet genoeg te halen is en ze hun voorraden moeten aanspreken. Die hadden immers een zeer laag watergehalte om niet te bederven. Om het te kunnen nuttigen moet het eerst weer verdunt worden met water. Vooral in het vroege voorjaar is er veel water nodig. En is er geen bron kort in de buurt, dan zal de imker daar zorg voor moeten dragen. Een BIJENKROEG maken dus. Veelal hebben de bijen afkeer van kraanwater, liever gaan zij in een modderpoeltje water halen. Belangrijk is wel dat het vooral niet te koud water is. Bij mij zitten ze veel op de vochtige vloermat voor de deur.

Bijenbrood is het voedsel dat jonge larven ontvangen, het is een mengsel van stuifmeel en nectar, waarin door "gisting" enige melkzuur is ontstaan.

Standplaats van de volken
Het verdient aanbeveling een wel overwogen keuze te maken in de standplaats van de bijen.
Een vochtige plaats zal zeker nadelig zijn voor het volk, vele ziekten kunnen daardoor veel sneller om zich heen grijpen. Ook zal het indampen van de honing veel langzamer verlopen dan op een droge omgeving.
Ook zal een dak de volken beschermen tegen de regen, dus vochtigheid. Ook de kasten zullen dan veel langer meegaan.
Een bijenvolk moet zeer veel energie spenderen aan het warmhouden van het broednest, staat een volk in de zon zal dat zeker een hoop energie schelen.
Dus:
Droge beschutte plaats met vrij uitzicht naar het zuiden.
Vanzelfsprekend is het zeer gunstig als in het vroege koude voorjaar stuifmeel bronnen kort bij de volken staan. Ook een waterbron MET NIET TE KOUD WATER zullen de bijen zeer op prijs stellen.
 

Bijlage 8: Werktekeningen van de SPAARKAST
 
 



Theorie les 3    -- De ontwikkeling van ei tot bij
- Broednest en broedstadia
- Taken van de werksterbijen
- Ontwikkeling van dar en moer
- Werkverdeling, zomer- en winterbijen

Het broednest
De ontwikkeling van een groot broednest begint ongeveer na de reinigingsvlucht in het vroege voorjaar. In de winter is er wel enig broed maar de
hoeveelheid is zeer gering. De aanwezigheid van een groot broednest veroorzaakt een aanzienlijke temperatuurverhoging. Schommelende de temperatuur in de wintertros noch tussen de 10 en 15 C. in een groot broednest is de temperatuur vrij nauwkeurig 35 C. Het verschil is duidelijk te constateren door met de hand op de dekplank van een kast te leggen. Komt z'n broednest zeer vroeg in het jaar opgang dan is dat minder gunstig. De kou kan nog behoorlijk toeslaan, waardoor er veel energie nodig is om het op die 35 °C. te houden. Maar ook zal je aanwezigheid van verse stuifmeel nog te wensen overlaten. Behalve voldoende moet er ook een grote verscheidenheid aan stuifmeel aanwezig zijn. Het volk kan zo beschikken over een compleet spectrum van aminozuren, vitaminen en vetten die beslist niet te vinden zijn in het stuifmeel van één plant. Is er geen voldoende hoeveelheid en variatie van stuifmeel dan zullen er slecht gevoede en daardoor slecht ontwikkelde ontstaan. Deze zwakke bijen zijn vatbaar voor vele ziekten en hebben een korte levensverwachting.
Bloemen die in het vroege voorjaar zijn bv. Gele kornoelje (Cornus mas), winterbloeiende heide (Erica carnea), winterakoniet (Eranthis hyemalis), krokus (Crocus vernus), kerstroos (Helleborus niger), sneeuwklokje (Galanthus nivalis). Wilg (Salix caprea, Salix smithiana).
Stadia van broed (bijlage 5)
In het broednest herken je gemakkelijk de drie stadia in de ontwikkeling van ei naar bij
- ei
- larve
- pop

EI.
De koningin is de enige die in staat is bevrucht en onbevruchte eieren te leggen. Alvorens zij dan doet controleert zij de cel op reinheid en meet vervolgens de maat van de cel. De maat bepaald over haar beslissing bevrucht of onbevrucht. Bevrucht wordt aldus een werkster (of nieuwe koningin) een onbevrucht ei wordt dar. Het ei staat rechtop op de bodem van de cel, is ongeveer 0,8 mm dik en 4 mm lang, kleur wit. Dus uiterst kleine witte stiftjes. De Duitsers spreken van "bestiften".
Na drie dagen wordt het ei een larve.

LARVE
Zodra het een larve is geworden begint het voeren. Het voer wordt geproduceerd in klieren in de kop en borststuk van jonge bijen. Dit sap wordt wel bijenmelk genoemd. De samenstelling van het voer is aangepast aan de leeftijd van de larve maar ook is het verschillend voor werksterbij, koningin en dar.
Werkster en darren krijgen vanaf het einde van de tweede dag een aanvulling met bijenbrood, dus nectar en stuifmeel, de hoeveelheid voedersap uit de kop- en borstklieren wordt sterk verminderd.
De totale hoeveelheid voer is erg groot. De larve ligt in een bad van voedsel waarin zij bijna kan "rondzwemmen". Ze groeien dan ook enorm.
Het geboorte gewicht van een larve is ongeveer 0,1 mg. Het heeft na zes dagen een gewicht van ± 150 mg. (de nieuwe koninginnen zelf 300 mg).
Op de vijfde dag is ze zo groot dat ze de hele bodem van de cel bedekt. Ze strekt zich vervolgens en gaat in de lengte richting van de cel liggen. (Duits: "Strekmade") Op de onderlip heeft zich intussen een tweetal spinklieren ontwikkeld. En spoedig begint zij zich in een cocon in te spinnen.
De cel wordt op de zesde dag door de werksters met een lucht doorlatend dekseltje afgesloten en het popstadium begint.

POP
In het popstadium vindt in een paar dagen de metamorfose plaats van een wormachtig dier in een volwassen bij (imago)

IMAGO
Een diertje met
Kop, borststuk en achterlijf.
Op de kop

Borststuk (torax) Er zijn een groot aantal wandplaten in omloop waarbij het achterste paar poten foutief aan het achterlijf zijn geplaatst.
 

Achterlijf (adomen)

HUID
Een bij heeft een aantal segmenten die flexibel aan elkaar verbonden zijn, samen een hard pantser van chitine vormend. Binnen dit omhulsel zit het bloed (haemolymfe, kleurloos), en alle organen zweven min of meer los in deze vloeistof.

De lengte van het popstadium verschilt per kaste.
De warmte van het broednest heeft een grote invloed op de snelheid van de ontwikkelingen. Een groot en regelmatig broednest zal zeker zijn voordelen te hebben om die optimale temperaturen te handhaven.
Resumé
 
Kon.
werksters
Dar
ei
3
3
3
larve
6
6
7
pop
7
12
15
leeftijd
4 jaar zomerbijen 6 weken
winterbijen 6 maanden
2 maanden

Taken van de werksterbijen, dar, koningin
Als een bij uit zijn cel kruipt is het echt nog "een jonkie", Weinig kleur, meestal nat, beetje klein. We spreken dan van grijsjes, taken hebben ze de eerste dag nog niet. Verschillende organen moeten nog uitgroeien tot een bruikbare omvang. De jonge bij eet daarom nog volop stuifmeel. In veel bijenkalenders is een soort werkschema te vinden welke functies die bijen achtereenvolgend zouden vervullen. Maar wetenschappelijk onderzoek heeft een meer genuanceerd beeld. Taken worden gedaan als ze nodig zijn, zelfs terug generatie van organen is mogelijk.
We onderscheiden
Cellen poetsen.

De jonge bij draagt nog volop grijze haren. Het begint de cellen de fatsoeneren waar zusjes zijn uitgelopen. De koningin legt pas weer een ei als de cel schoongemaakt en gepoetst is. Een enkel velletje van de poppen wordt verwijderd en de wanden worden schoon geschraapt. Daarna wordt het geheel met een laagje propolis bedekt. Een gepoetste cel glimt. Dat is zeer goed waarneembaar. Vaak zie je jonge bijen in een cel zitten (liggen??)
Meestal is het uitrusten, maar ook is waarneembaar dat ze gewoon 24 uur in de cel liggen÷. Luie bijen????
Broedverzorging
Na enige dagen gaat de jonge bij OUDERE larven voeren met een mengsel van honing en stuifmeel (bijenbrood) Als enkele dagen laten de voedstersapklieren tot ontwikkeling zijn gekomen gat ze ook JONGE larven voeren
Wasproductie
Na de twaalfde levensdag houdt de werkzaamheid van de voedstersapklieren op en beginnen ze te denigreren. De bij komt in een volwassene stadium
En haar wasklieren beginnen te werken.
Onder haar achterlijf zijn een aantal klieren die de was uitzweten.
Verder werkzaamheden
-overnemen, opslaan, verwerken en conserveren van binnengebracht voedsel.
- reinigen van het hele nest
- bouwen van raat
Op de 18-19 dag zijn ook de gifklieren vol ontwikkeld en een taak is dan wachtbij. De bijen staan dan op de vliegplank en keuren een ieder die de kast binnen wil gaan. De nestgeur is daarbij bepalend. Toch komt het voor dat vreemden die voedsel bij zich hebben zich kunnen inbedelen. Vreemden worden verder zeer heftig geweerd. En meestal met een steek gedood.
Na 3 weken sluit de huisbij periode af en begint de vliegbij tijd
Al vroeg maken jonge bijen oriëntatievluchten om de kast. Jonge bijen staan op de vliegplank, draaien zich met de kop richting kast en vliegen eerst in kleine cirkels menig keer rond. Bij elke vlucht worden er een paar meter bij genomen, zodat de kastomgeving behoorlijk in het geheugen wordt gestampt. Het kan dus na een paar sombere dagen zeer druk zijn voor de kast als vele "juist vliegbij"
hun rondjes draaien. Voorspelen heet dat, het gelukzalige(?) zoemen daarbij is net muziek!!!

Vliegbij
Na de twintigste dag bemoeien ze zich alleen nog maar met het binnenslepen van water, nectar, stuifmeel en water. Tot de dood er op volgt. Ze sterven niet in de kast bij het volk. Maar gaan als ze echt versleten zijn, goed te zien aan de gerafelde vleugels, oud in het veld, ze keren gewoon niet terug naar de kast. Eeen prooi voor wespen en mieren (carnivoren)
 

Darren
De ontwikkeling van darren is vergelijkbaar met die van de werksters. Het larvestadium duurt enige uren langer, en op het menu staan dan meer pollen dan bij de werksters. De totale ontwikkeling bedraagt minstens 24 dagen maar deze kan gemakkelijk verlengt worden in perioden van koud weer.
Na 10 tot 14 dagen is de dar geslachtsrijp: dat is dus 36 dagen nadat het ei is gelegd.
Op de mooie dagen vliegen de darren uit naar de zg. darren verzamelplaatsen. Plekken die zijn feilloos weten te vinden. Om ze te bereiken moeten vaak afstanden van 10 en meer kilometer worden afgelegd. Bij het terugvliegen (als ze dus niet met een koningin hebben kunnen paren en daarna de dood vonden) gaan veel darren niet naar hun eigen volk terug. Maar landen bij een andere kast waar ze ook van harte welkom zijn en worden binnen gelaten. De verspreiding van hun erfelijke genen over een zeer groot gebied is daarmee gewaarborgd, en inteelt zal in de vrije natuur onder normale omstandigheden niet voorkomen.
Bij de productie van sperma gebeurt dat bij darren op een bijzondere manier. Darren hebben 16 chromosomen, en hun sperma heeft er ook 16. Een dar kloont zich. Er vindt celdeling plaats.
Dit heeft een aantal merkwaardige consequenties
De koningin heeft 32 chromosomen, maar haar eitjes hebben er 16.
Legt een koningin een darren-ei dan komt daar dus geen vader aan te pas. Bij een werkster-ei versmelten de 16 van de koningin zich samen met de 16 van de dar, waardoor er weer 32 chromosomen ontstaan.
Het erfelijke materiaal van een werksterbij is dus de helft van de vader en de andere helft van de moeder, maar omdat de vader zich niet gedeeld heeft is dat gedeelte bij zusjes dus precies gelijk.
ECHTE zusjes hebben dus meer dan 50 % hetzelfde chromosomen materiaal. HALF zusjes hebben dus precies 50% hetzelfde materiaal
Ergens werd geopperd dat: wil een werkbij haar chromosomen doorgeven dan kan ze beter haar moeder helpen echte zusjes te krijgen, dan dat ze zelf kinderen krijgt. Die bezitten hoogstens 50% van haar erfelijk materiaal. Terwijl de echte zusjes dus meer dan 50% hebben.
 

DE MOER, DE KONINGIN
Een koninginnen larve treft men aan in een aanzienlijk grotere cel dan werksters en darren. Maar vooral is opmerkelijk dat ze verticaal geplaatst zijn. En aan de rand van het broednest. Het voedsel van de larven is 10 maal overvloediger dan dat van werksters en darren. Bovendien bestaat het voornamelijk uit bijenmelk, zij het dat dit niet steeds van dezelfde samenstelling is en met de leeftijd varieert. ALLEEN dit bijzondere voedsel bepaald of een bevrucht ei koningin of werkster wordt. Royal jelly of koninginne gelei heeft het.
Een koningin is meteen na uit uitkomen vliegvaardig, Als een koningin opvliegt op het moment van uit de cel komen keert ze soms terug op de hand of hoed van de imker. Dat is het gevolg dat ze de kans niet kreeg zich in haar omgeving te oriënteren. Meestal weet zij de kast weer feilloos terug te vinden.
Een jonge moer gaat na enige dagen reeds op oriëntatie vluchten. En na een week breekt de periode van bronst aan, die vier weken kan duren. Ze zal gedurende die tijd regelmatig op bruidsvlucht gaan, naar de darren verzamelplaatsen die ook zij feillos weet te vinden. Ook voor haar kunnen die plaatsen vele kilometers weg zijn!!
Paringen vinden hoog in de lucht plaatst op 15 tot 30 meter. Ze paart met een groot aantal darren (Laatste DNA onderzoeken; 20 tot 25!) De darren verliezen bij de paring hun geslachtsorgaan, zodat hij al snel al hun bloed verliezen en sterven. Soms is het orgaan van de laatste dar nog aanwezig als ze terugkeert in het volk, het wordt dan ook wel bevruchtingsteken genoemd. Werksters zullen het verwijderen.
De beschikbare darren zullen door de afgelegenheid van de plekken zelden uit haar eigen volk komen, maar de kans is niet totaal uitgesloten.
Het sperma van de darren wordt in een speciaal orgaantje opgeslagen, een zaadblaasje dus, de spermatheca. Hier wordt het onder uitstekende condities bewaard en gaat zo tot wel 4 a 5 jaar mee.
Zij heeft er dus genoeg aan om die honderd duizenden werksters te produceren.
Na een susccesvolle bevruchting gaat de koningin na drie dagen "aan de leg". Soms is zichtbaar dat ze in het begin wat moeite heeft het juiste ritme te pakken, meerdere eitjes in een cel, stukken overslaan, of soms uberhaupt niet aan de leg gaan.
Een raam met eitjes uit een ander volk wil dan erg goed helpen. Mijn leraar zei altijd: " ze denkt, Oh, moet dat zo, dat kan ik ook".
Is het vier weken zeer slecht weer en dus geen paringvluchten mogelijk dan zal de koningin toch na 4 weken aan de leg gaan, Natuurlijk zijn dat dan onbevruchte eitjes, dus darren zullen de uitkomst zijn. Darrebroedig noemen we dat. Een volk met een darrebroedige moer heeft geen overlevingskansen. De imker zal dan een nieuwe koningin moeten invoeren. Of het volk, zonder die moer, verenigen.
Een moer op leeftijd gaat vaak gebreken vertonen. En soms kweken de bijen EEN nieuwe moer op. Als deze succesvol bevrucht is en aan de leg, zie je in een volk wel eens twee leggende moeren. Dat schijnt toch zeer regelmatig voor te komen.
Deze toestand zal niet lang plaatsvinden, al snel zullen de bijen de oude moer verwaarlozen. Ze zullen haar inballen (een flink kluitje dringt zich stevig aan haar en produceren een enorme warmte)
waarbij ze sterft. Stille moerwisseling, dus. Volken met een stille moerwisseling vertonen vaakduidelijk meer broed dan "normale".

Zomerbijen / Winterbijen
Na de langste dag (21 juli!!!) beginnen de bijen zich voor te bereiden op de winterperiode. De zwermdrift verdwijnt en de omvang van het broednest neemt langzaam af. Jonge bijen hoeven geen vliegbij meer te worden, maar blijven binnen, en zijn geschikt om de winter door te komen. Ze nemen extra voedsel op, maar vooral stuifmeel. Hierdoor bouwen ze grote voedersapklieren op. En omdat die niet worden aangesproken degenereren ze niet. Hetzelfde geldt voor wasklieren en overige organen. Tevens worden extra vetcellen aangemaakt, die als een stille reserve gelden. Een groot eiwit-lichaam.
Uiterlijk onderscheiden ze zich niet van de zomer bijen. Maar hun leeftijd kan wel 6 maanden worden. Ze laatste zullen pas in mei van het volgend jaar sterven. Een belangrijke voorwaarde voor een voorspoedige voorjaars-ontwikkeling wordt dus gelegd in augustus / september van het jaar daarvoor.

Bijlage 5 : Ontwikkeling van ei tot bij
 
 
 



Theorie les 4
Ontwikkeling van het bijenvolk in de loop van het jaar
- De voortplanting van het volk; natuurlijk zwermverloop
- De imker en zwermen
- communicatie in het bijenvolk

Het zwermen
De maanden mei en juni zijn de maanden dat in volken sprake is van VOLKSVERMEERDERING.
Eén volk splitst zich in twee, drie of nog meer kleinere, elk als compleet volk, dus met koningin. Dit heet ZWERMEN.
Omdat elke jonge koningin met een groot (20-25) malen gepaard moet hebben om tot een normale ei-productie te komen, moesten er darren aanwezig zijn. Het voortbrengen van darren gaat dus aan het zwermen vooraf.
Het aanzetten van darrenbroed gebeurt soms al zeer vroeg in het voorjaar. Het moet natuurlijk zo zijn dat die darren de moeren gaan bevruchten, niet die uit hetzelfde volk. Dat zou immers inteelt veroorzaken en dat is ongewenst, omdat het een degeneratie met zich meebrengt. Alles in de natuur is er op gericht dit te voorkomen.
Het voortbrengen van darren is niet een voorteken dat het volk gaat zwermen. Maar als er gezwermd wordt zijn er wel altijd ook darren in een volk aanwezig.
De eerste tekenen dat in volk in zwermstemming komt is het aanzetten van speeldopjes. Een speeldop is in het begin niet meer dan de bodem, van een koninginne cel. De bodem ligt in het horizontale vlak, dit in tegen stelling tot de bodem van werkstercellen of darrencellen. Soms blijft een speeldop weken aanwezig , soms zijn ze ook na een dag reeds weer verdwenen. Soms wordt de moer gedwongen het te beleggen met een ei. Je spreekt dan niet meer van speeldop maar van ZWERMCEL of MOERDOP. De bijen bouwen het tot een "trosje druivenachtige" vorm. De koninginnen larven worden veelvuldig en overvloedige met het speciale voedsel gevoederd. Men spreekt dan van koninginne gelei of royal jelly. Zwermcellen worden altijd met meerdere tegelijk aangezet.

De voorzwerm.
(brandzwerm, bromzwerm, oude moerzwerm)
Naarmate er meer zwermcellen in een volk ontstaan groeit het besef dat er iets "groots" staat te gebeuren. Het komt tot zwermdrift of zwermkoorts. Veel werk blijft liggen, er komen veel luierende bijen in het volk en ook op de vliegplank. Rond de tijd dat de eerste moerdop gesloten is , dus voor de larve het popstadium begint, komt de zwerm af.
Vond de reinigingsvlucht altijd plaats als je de eerste keer in je tuin kon zitten, dan komt de voorzwerm altijd dan als je je voorgenomen hebt dat voor het eerst in korte broek te doen.
In de regel is dat om het middaguur. Slecht weer kan z'n zwerm uitstellen.
Eerst zuigen de bijen zich vol met honing, Een voorraad voor minimaal drie dagen. En dan komen ze met duizenden in grote haast naar buiten. Ze buitelen en rollen over elkaar heen om maar mee te kunnen en de "aansluiting" niet te missen. Ze schijnen van te voren te hebben uitgemaakt wie wel en niet meegaan. Je ziet ook bijen die zich van alle drukte niet aantrekken, en rustig met stuifmeel beladen tegen de stroom in worstelen om hun dagelijkse werk af te maken.
Ongeveer de helft van de bevolking zwermt met de oude moer. (dus is 30.000 mogelijk!!)
Ze vullen het luchtruim als een grote wolk, daarbij luid zoemend, een geluid zet menig mens in angst inboezemt.
Na een tiental minuten vliegen de bijen aan en vormen een zwermtros.
Vanaf aldaar gaan speuderbijen opzoek naar een nieuwe woning, en als daar overeenstemming over verkregen, is zal de zwerm daar naartoe verhuizen.
Dat proces kan een paar uur , maar ook een paar dagen in beslag nemen.
Een voorzwerm heeft dus erg veel bijen en een bevruchte moer. Z'n volk wil als bezetenen bouwen. Een hele kast uitbouwen in een week is geen zeldzaamheid. Bijna altijd alleen met werkster cellen, fijnwerk. Meestal zie je na twee dagen al de eerste eitjes alweer in de cellen liggen. Sommige bijen deponeren hun honing voorraad bij de broed.
Wordt een zwermgehuisvest bij zeer slecht weer, zodat er niets gehaald kan worden, moet men het volk "bijvoeren" met suikerwater, echter niet voor de derde dag.
Na de voorzwerm duurt het nog een dikke week tot de eerste koninginnen geboren worden. Maar de eerste zal er beslist na een week zijn. Deze eerste moer kruipt uit de cel en loopt over de raat waarbij zij een merkwaardig geluid maakt. Het lijkt het meeste op de in-gesprek-toon van de telefoon. TUTEN zeggen we , een TUTER dus.
De andere rijpe moeren die het celdekseltje aan de onderkant wel reeds los gebeten hebben komen niet uit de cel. Wel steken zij hun tong naar buiten om gevoerd te worden. Ook zij maken een geluid, het kwaken, het lijkt het meest op kwakende kikkers. Beide zijn duidelijk waarneembaar buiten de kast. Maar met een oor tegen de kast niet te overhoren. Men zegt wel dat als de tuter een kwaker hoort het voor haar het teken is te gaan zwermen. De helft van de aanwezige bijen (dat was al de helft van de oorspronkelijke hoeveelheid) gaan met de nieuwe koningin een andere plek zoeken en verzameld zich weer in een tros buiten de kast. Meestal zit een voorzwerm dicht bij de kast, een nazwerm wil graag schijnbaar meteen de nodige afstand houden en gaat soms direct een aantal honderden meters verder hangen.
Veel komt het voor dat bij een nazwerm meerdere koninginnen in een zwerm zitten. Men kan het goed waarnemen doordat de zwerm niet één tros vormt, maar men kan duidelijk meerdere trosjes die dicht bij elkaar hangen zien. In z'n nazwermtros zullen de verschillende koninginnen elkaar naar het leven staan, één kan er maar koningin van het volk worden.
In de loop van de volgende dagen kunnen er meerdere nazwermen afkomen, steeds weer met de helft van de nog aanwezige bijen. Zolang er nog kwakers zijn kan er een nazwerm afkomen. Tenslotte zullen er zo weinig bijen over zijn dat bij verder zwermen geen levensvatbare hoeveelheid meer overblijft, en zal het zwermen stoppen. De nog aanwezige kon. poppen zullen door een laatste koningin door de celwand heen worden afgestoken.
Waarna ze door de werksters worden opgeruimd.
voorzwerm Bevruchte moer Veel bijen Dicht bij de kast
nazwerm Onbevruchte moer "weinig" bijen Verder van de kast

De imker en het zwermen
Zwermen is dus niets anders dan een normaal reproduktie-proces van een bijenvolk. In de vroegere korfteelt werd daar dankbaar gebruikt van gemaakt. Het gaf de imker de mogelijkheid zijn volken aan te vullen en evt. te verkopen. De imkermethode was ook vaak zodanig dat er in het najaar veel volken werden "geslacht" gedood dus.
Zo werden de aantallen die de winter door moesten en dat op basis van suikerwater deden tot een minimum beperkt. Ook vond door dat slachten een sterke selectie plaats in sterke volken. Een duidelijk voorbeeld van selectie en teelt.
Zwermlustige volken waren profijtelijker. In de huidige kastimkerij is dat zwermen ongewenst. De meeste imkers wonen in een stedelijke omgeving, die zo vervreemd is van de natuurlijke processen en daarom vaak angst heeft voor het toch zeker spectaculaire zwermgebeuren.
Duidelijk moge ook zijn dat als men niets onderneemt tegen het zwermen, men na enige tijd alleen maar minuscule bijenvolkjes overhoudt. Volken die beslist geen surplus aan producten zullen hebben. Men is zijn bijen kwijt.
OUD gezegde:
Potten honing, rij aan rij, da 's de opbrengst van een zwerm in Mei.
Komt een zwerm in Juni af, de helft minder is de straf.
Een bijenzwerm in juli ziet, die telt men om de opbrengst niet.

Het zwermen scheppen.
Omdat men dus niet weet wanneer zwerm verder zal vliegen vanaf de eerste plek waar zij vanuit de kast zijn gaan hangen, moet z'n zwerm snel geschept worden. Vaak is een kleine lichte strokorf (licht in gewicht) genoeg om hem in een hand te kunnen manipuleren
Z'n schepkorf heet KIEPS. Even fris maken met een pluk gras of vlierblad, en een beetje natmaken met een bloemen spuit.
Veelal is het handig om de zwerm zelf ook met een bloemenspuit nat te spuiten. Handig is het als de tros een beetje gunstig aan een tak hangt op oog hoogte, kieps er onder en een flinke klap op de tak. De zwerm zal in de kieps vallen, klaar. Maar dat is zelden het geval.
Imkers kunnen U avonden bezighouden met hun merkwaardigste zwermscheppen!!! Nog een avond kan in beslag worden genomen met de beschrijving van plekken waar z'n zwerm zich heeft huisvest.
Zit het overgrote deel van de tros in de kieps dan moet men hem omgekeerd in de buurt met een steentje er onder aan een kant mogelijks koel wegzetten. De bijen die niet direct in de kieps zijn gevallen zullen al zoekend "waar is de rest nu?"
het volk snel vinden. Daarbij worden ze geholpen door een aantal bijen die bij de kiepsopening hun achterlijf hoog in de lucht steken, hun laatste ringsegment knikken zodat een geurklier vrijkomt, en enorm staan te wapperen met hun vleugels. STERTSELEN heet het, met de Nasanovklier.
DIT ALLES ALLEEN ALS DE MOER OOK IN DE KIEPS ZIT, zo niet dan is de kieps na 5 minuten weer leeg, en zit de zwerm weer om de koningin in een tros. Opnieuw beginnen, er zit niets anders op.
Een geschepte zwerm kan men het beste tot na zonsondergang laten staan, allerlei speurderbijen kunnen dan ook het volk nog vinden. Doet men dat niet, belt de zwermmelder geheid de volgende dag weer op: "ze zitten er weer (alleen veel minder)"
Deze bijen zullen hardnekkig het volk zoeken, dus zeer veel rondjes vliegen, onrustig zijn, hinderlijk dus.
Een kieps wordt dan door de zwermschepper OPGEDOEKT. Een jute zak of horrengaas wordt onder de kieps gespannen en met ijzertjes vast gezet. Klaar voor vervoer.
Zaak is de zwerm niet te lang in de kieps te laten zitten, maar zo snel mogelijk te huisvesten. Meestal beginnen de bijen reeds in de kieps met het bouwen van raten.
De bijen oriënteren zich snel op de plaats van de nieuwe woning, en schijnen de oude woning totaal vergeten te zijn. Zelfs als met de zwerm naast de kast plaatst waar ze uitgekomen zijn.
Soms wil een volk helemaal niet in DIE kast, en verlaten ze hem weer. Raadsels, raadsels!!
Was hij schoon??? Stinkt hij niet?? Fris gewreven met gras??

Communicatie
Bij dieren onderscheidt men vier middelen om onderling te communiceren:
- optische
- mechanische
- chemische
- akoestische
De meest primaire daarvan is de chemische. Bij bijen een zeer ontwikkelde communicatie. Zelfs bacteriën reageren hier op.
Lastig voor te stellen is het verschil tussen ruiken en de waarneming van feromonen. Ook wij mensen ruiken, maar daarnaast nemen wij ook feromonen waar. Een orgaantje in onze neus is de receptor. ONS ZESDE ZINTUIG! Je kunt hier slecht van ruiken spreken....
Alleen al het ontbreken van het koninginnen feromoon zal bij werksterbijen een ontwikkeling van de eierstokken opgang brengen. En zo de mogelijkheid scheppen tot ei leggen (onbevrucht!!)
De bijendans maakt op voorbeeldige wijze gebruik van mechanische, chemische en akoestische communicatie. De betekenis van de bijendans werd het eerst begrepen door Karl von Frisch. Hij kreeg zelfs de Nobelprijs voor zijn ontdekkingen. Bijen kunnen door het uitvoeren van die dansen hun nestgenoten nauwkeurig richting en afstand waar zich voedselbronnen bevinden aangeven.
Bij de dans worden ook geur en kwaliteit van de bron meegedeeld.
Ligt de bron dichtbij (100 meter) dan wordt een rondedans uitgevoerd, ligt de bron verder dan wordt de kwispeldans opgevoerd. Bij de kwispeldans maakt de bij een figuur welk op een platte 8 lijkt.
Een rondje naar links, een recht stuk, een rondje naar rechts. Tijdens het rechte stuk wordt hevig met het achterlijf gekwispeld. Het wonder van de dans zit in de richting van dat rechte stuk t.o.v. boven en onder. De bij kan de horizontale richting van de voedselbron t.o.v. de zon, vertalen in een verticale richting t.o.v. het verticaal.
Kwispeldans zij precies van onder na boven dan ligt de bron precies richting zon. Door de waarneming van gepaliriseerd ligt hoeft de zon niet werkelijk zichtbaar te zijn!! Dans een bij precies horizontaal, dus van links naar rechts, dan zal de bron zich precies 90 ° t.o.v. de zon bevinden.
De snelheid maarmee de dans wordt uitgevoerd heeft informatie over de afstand.; snelle dans dichtbij. Langzame dans , verder weg. Proefondervindelijk levert dat volgende tabel op (bijlage 9)
Een tussenvorm tussen ronddans en kwispeldans is de sikkeldans, voor het eerst beschreven door de Nederlandse onderzoeker HEIN. bijlage 9: kwispeldans tov afstand
 
 
 



Theorie les 5
- Kunstzwermen: Aalstermethode
- Doppen project
- Hoofdvolk, veger/vlieger doppenbreken
- Paringsgedrag, darrenverzamelplaatsen

De imkermethoden
Zagen we in het vorige hoofdstuk dat er van een volk, geheel aan het natuurlijk verloop overgelaten, zelden van enige oogst sprake zal zijn. Ja zelfs die bijen op den duur geheel zullen verdwijnen. (Uitzonderingen daargelaten) Moeten er dus methoden gezocht worden bijen "te houden"
Deze handelingen zijn de bedrijfsmethoden genoemd. Velen hebben in de loop der geschiedenis een opeenvolging van handelingen ontwikkeld met een speciaal doel. Bv. Hoge honing opbrengst, hoge propolis opbrengst, hoge volken vermeerdering, koninginnen gelei oogsten, enz, enz, enz. Allerminst moet men iets bedenken om het zwermen in de hand te houden, of in ieder geval beheersbaar.
Het spreekt vanzelf dat imkers dagen (ook weken) kunnen kleppen over de voordelen (zelden de nadelen) van de door hen gehanteerde methode!!!!!!!!!!!
Bekende methodes zijn:
- Aalster methode
- Separeren
- Renson
- Methode van Mijnheer van der Palen
- Doppen project
- Snelgroove methode
- Koninginnen teelt methode
- Tussenaflegger
- De zuiger
- Karl Pfefferle
- Zwermmethode JBF (Jan Boeren Fluitjes)
Vooral de Aalstermethode wordt in Nederland nog veel toegepast. Het was de aangewezen methode in de tijd van overgang van korfimkerij (vaste bouw, volken slachten) naar kastimkerij (losse bouw)
Hier een korte beschrijving

Aalsteren (deze methode wordt door zeer veel Nederlandse imkers toegepast)
Deze methode berust op het maken van een kunstmatige zwerm door de imker. Het natuurlijke zwermen wordt hier dus nagebootst. Immers een volk is in staat zonder zwermdoppen toch koninginnen te produceren. Deze handelingen MOETEN worden gedaan VOOR dat de normale zwermdrift zijn kop opsteekt, dus VOOR dat er zwermcellen in en volk aanwezig zijn. Zijn er doppen aanwezig, dan ben je te laat!!!
De bevruchte moer wordt met een groot aantal bijen in een nieuwe kast gehuisvest. De achterblijvers zijn een aantal uren de kluts kwijt. Het plotseling ontbreken van het koninginnen feromoon laat zich gelden; het volk vertoont "moerloos gedrag", bijen zijn geïrriteerd en zoeken, tot buiten de kast, naar de koningin.
Het meest toegepast is de zg. VEGER. De moer wordt gezocht en samen met het raampje**** waarop ze loopt komt ze in een nieuwe kast, Daarbij wordt nog een gevuld honing raam en een uitgebouwd raam toegevoegd. Verder worden de bijen van 8 tot 10 raampjes uit het "hoofdvolk" bij de veger gevoegd. Vroeger gebeurde dat met een veger of een ganzen veer; vandaar de naam veger. Tegenwoordig veelal door stoten, kloppen.
Veger behoeven niet ver van het hoofdvolk geplaatst te worden.
Doordat de meegekomen vliegbijen bij de volgende
vlucht naar het hoofdvolk terug zullen keren blijven er dus alleen maar huisbijen in de veger achter. Ook zijn er nog geen wachters. De aanvliegopening moet dan ook zo klein mogelijk worden gemaakt. De pasage van één bij is voldoende!!!
Nadeel van de veger is dat men in het hoofdvolk het raampje met de moer moet vinden. Hetgeen menig imker voor problemen plaatst. Ze ziet er dan wel anders uit, maar tussen 50.000 bijna gelijke is het soms een hele opgave!!!

Bij het maken van een VLIEGER gaat men omgekeerd te werk. Het hoofdvolk wordt een aantal meters verschoven, en op de plaats waar hij stond komt een nieuwe kast met gelijke kleuren. Deze vlieger wordt bevolkt met twee raampjes broed uit het hoofdvolk met opzittende bijen, PLUS MET KONINGIN. De andere raampjes moeten uitgebouwde ramen zijn, immers er zijn zeer weinig huisbijen die raampjes kunstraat zouden kunnen uitbouwen. Belangrijk is daarbij dat die 2 raampjes broed**** in alle stadia (BIAS) bevatten, dus eieren, larven en gesloten poppencellen. Door het afvliegen tevens aldaar de honingkamer te verplaatsen. Daar in die kast dan heel weinig broed aanwezig is, zal dit volk zeer veel nectar kunnen verzamelen. Het voordeel van deze methode tov de veger is dat door het verplaatsten van het hoofdvolk en een uurtje te wachten (bij mooi weer) het zoeken van de koning veel gemakkelijker zal zijn, immers vele vliegbijen zullen reeds naar de oude plek zijn teruggevlogen.
Nu het geheim van de smid. We hebben dus in beide gevallen een extra volk, zonder moer maar wel met BIAS en JONGE bijen. Als ze echt in de gaten hebben dat de moer er niet meer is, zoeken ze een aantal larven van een dag oud. De cellen waarin deze zich bevinden (horizontale) worden uitgebouwd naar verticaal en de aanwezige larve krijgt terstond de voor koninginnen zo noodzakelijke kon. gelei.  REDCELLEN zijn het waarin ze nu geboren worden.
Na 12 dagen zullen de eerste koninginnen geboren worden. (nog 5 dagen ei plus 7 dagen pop)
Nu is het zaak geen zwermen te krijgen doordat er een toestand van tuters en kwakers op zijn beloop wordt gelaten. Daarvoor moet men de 13 de dag na het maken van de kunstzwerm doppen breken.
De kast wordt geopend tegen de namiddag en vroege avond en raampje voor raampje zal aan beide kanten moeten worden nagekeken op aanwezige doppen, deze worden dan of losgehaald zodat de koningin gedwongen wordt in het volk te lopen of ze worden uitgesneden en aldus verwijderd. Het is dus dan mogelijk meerdere koninginnen in een volk te laten lopen. Door het late tijdstip zullen er geen zwermen afkomen en gedurende de nacht zullen de koninginnen onderling uitmaken wie de moer van het volk wordt; er blijft er dus maar één over!!!

****EXTRA
Bij het maken van een vlieger/veger doet zich de unieke kans voor deze ZONDER broed uit het hoofdvolk te maken. Dus alleen de koningin en een groot aantal bijen.
Dit heeft een aantal voordelen:
- omdat er geen broed "mee gaat", gaan er ook geen parasieten(varroa, ed) mee.
- door op dat moment een speciaal raatje met belegde darrenraat mee te geven zou je daarmee ook de op de bijen zittende varroa kunnen vangen.
 

Controle van jonge moeren,  darrebroedigheid, eileggende werksters
Na drie, vier weken na de geboorte van de nieuwe koningin moet men controleren of ze aan de leg is. Dit is een heikele gebeurtenis. Zolang de nieuwe kon. nog geen GESLOTEN broed; zullen de bijen haar met zeer veel scepsis bekijken. Bij storingen van het volk kan ze door de bijen worden afgestoken!!! Controle geschied dan ook zeer voorzichtig door alléén het middelste raampje uit de bovenkamer "snel" op eitjes te controleren. Zijn er geen eitjes aanwezig dan nog snel de naast gelegen raampjes. Zijn er geen eitjes aanwezig dan zijn er 3 mogelijkheden:
- de moer is gesneuveld op een van haar bruisvluchten (koolmeesje langs geweest???)(naar de verkeerde kast terug gevlogen en afgestoken??)
- de moer is wel bevrucht, maar nog niet aan de leg
- die moer is nog niet op bruidvlucht geweest omdat het weer dat niet toeliet ('t is niet warmer geweest dan 20 °C)
In het eerste geval (moer gesneuveld) moet een raampje met eitjes uit een ander volk worden ingehangen; het volk is immers hopeloos moerloos
De bijen kunnen nu weer een kon. kweken uit een eendags larfje. Doet men dit niet dan ontstaan ei leggende werksters, door het ontbreken van koninginne feromoon. (een volk met ei-leggende werkster is ten dode opgeschreven)
In het tweede geval (wel bevrucht, maar niet aan de leg) schijnt het te helpen een raampje eitjes uit een ander volk in te hangen. Mijn leraar zei: "ze denkt,...hé eitjes; dat kunstje kan ik ook"
In het derde geval (nog steeds geen goed weer geweest) heeft de imker een probleem. Afwachten is het enige wat er opzit!!!! Controle na enige weken of de moer zich tot een darrebroedige ontwikkeld is zeer gewenst. Een door de imker uitgevoerde moerwisseling is dan de enige oplossing dat volk nog te behouden. Anders is ook dat volk ten dode opgeschreven.
Bij de AALSTER methode heeft men dus een soort reserve koning gekweekt. En één volk werd twee!!!
(imkers hebben ALTIJD VOLKEN TE VEEL!!!!!!)
Zelfs kan men het hoofdvolk met de nieuwe koningin en vliegbijen versterken met raampjes gesloten broed uit het "oude kon. volk"
Voordelen van deze methode
- tijdstip door de imker te bepalen
- overzichtelijke en hanteerbare methode, ook voor beginners.
- reserve moer aanwezig
- voorspoedige volken vermeerdering
nadelen
- geen inbrengt in selectie van koningin
- dubbele kasten
- lukt het de nieuwe koning niet bevrucht te raken
Zit men met een hopeloos moerloos volk; immers er zijn geen larven meer waaruit een nieuwe kon. kan worden geteelt.
Meestal wordt in het najaar de oude koning uit dat volk verwijderd en worden de twee volken weer samengevoegd. Ook verenigen in het voorjaar is goed mogelijk.

DOPPENPOJECT
Het doppenproject berust op het gegeven dat als men een "moergoed" volk larven aanbied die in de koninginnen gelei liggen, zij deze tot koninginnen zullen uitbouwen.
Daarvoor haalt hen bij een zg. Verspreider** kunststof dopjes die hij na gevuld te zijn met een eendag larfje in een moerloosvolk zonder broed heeft gehangen. Door die moerloosheid zullen de bijen van de larven trachten koninginnen te kweken. Ze komen dus dik in de koniginne gelei te liggen.
Wij zullen dus die dopjes door een volk laten uitbouwen tot volwaardige koninginnen. Zijn de cellen gesloten dan kunnen ze evt. in zeer kleine volkjes worden geboren en als dus de bevruchting te gemoed zien. (BV dus, bevruchtingsvolkjes)
Wel moet men de doppen beschermen tegen de aanwezige koningin, zij zal immers geen andere nakomelingen dan haar eigen dulden. Een rooster om het raam met de doppen is voldoende.
Het koninginnen rooster heeft een gaten-maat waar de kon. niet door kan, maar de werksterbijen wel.
Voordeel van deze methode
- erfelijkheid door selectie in de hand
(VAN MOEDERS ZIJDE!!!!!!!)
Nadelen
- door selectie door de mens een versmalling van de biodiversiteit.

** Verdelers zijn imkers met een soort "stamboekvee". Zij hebben een teelt van geselecteerde lijnen. Twee lijnen zijn daarvoor extra interesant; een teelt van nakomelingen van de abdij Buckfast uit Engeland of nakommelingen van Carnica's uit de teeltlijnen in Noord Duitsland.

Wat wij gaan doen is een combinatie van die twee
Op het schema zijn de dagen, gebeurtenissen en de handelingen te zien
Bijlage rooster
Volgende week gaan we daar uitvoering op in

- Paringsgedrag, darreverzamelplaatsen
We zagen reeds dat de koningin paart met meer dan 20 darren. De werksterbijen hebben dus twee soorten zusjes; de superzusje van dezelfde vader en half zusjes. Superzusjes zijn meer aan elkaar verwant dan bv onze broertjes en zusjes. De dar heeft zich immers allen gekloont. Dit is een zeer gunstige voorwaarde; al het gedrag afgeleid uit het erfelijk materiaal zal een zekere spreiding vertonen. Een groep zusjes is beter in poetsen, andere herkennen zieke larven en poppen beter, weer andere zijn beter in ratenbouw, enz, enz.
De koningin heeft 32 chromosomen en de door haar gelegde eieren maar 16; ze is diploïd. Bij de vorming van de eieren vindt reductie (meiose) plaats. Daarentegen heeft de dar maar 16 chromosomen, en zijn zaadcellen hebben er ook 16, hij is hapoïd, er vindt een gewone celdeling (mitose) plaats. (Een kloon van zichzelf) Logies dat de erfelijke eigenschappen die in een volk tot uitdrukking komen zowel van vaders als ook van moeders kant komen. Doordat de bevruchting in de vrij natuur geschied zal de selectie van darren dus niet te beïnvloeden zijn.
Om toch een grote invloed te hebben zouden de jonge onbevruchte koninginnen op een beschermde plek geplaatst moeten worden. Dit is op het vaste land zeer gecompliceerd, maar eilanden zijn daarvoor zeer geschikt. Alle Duitse waddeneilanden zijn in de zomer bevruchtings-station. Daar worden dan geselecteerde (darren) volken geplaatst, en duizenden kleine kastjes met een kon. , een aantal huisbijen, en voer worden er heen gebracht. In Nederland kennen we een bevruchtingsstation op NEELTJE JANS (niet helemaal een eiland, maar toch..) Op de grens van Nederland en België ergens in Zeeuws Vlaanderen is een plaats waar in een zeer wijde omtrek geen bijenvolken staan. Zodat er geen vreemde daren aanwezig zijn. Ook doet zich die situatie voor onder Lemmer in de Noord-Oost Polder.
Nemen we een moer uit selectie teelt en laten we die "gewoon" thuis bevruchten dan hoeft dat niet een groot nadeel te zijn. Huisbevruchting = standbevruchting. De helft van de erfelijke eigenschappen komt van de moeder en de vaders is dus ad rendum. Maar hier doet zich de gelukkige omstandigheid voor dat er een soort "halfbloed" ontstaat, die de gunstige eigenschappen van beide heeft. Dit effect wordt het heterosis-effect genoemd.
Echter laten we weer nakomelingen van die "halfbloed" komen, dan treedt er een chaotische vermenging van eigenschappen op, hetgeen agressie van de volken tot gevolg kan hebben
Dus stapt men in het DOPPENPROJECT, dan zal men dat MOETEN BLIJVEN DOEN. Natelen van deze volken moet sterk worden afgeraden.

Selectie
Bijenvolken zijn goed te selecteren op gedrag
Gedrag schijnt nogal overerfbaar te zijn.
Een vraag aan imkers welke eigenschappen zij het meest gewenst vonden laat het volgende lijstje zien. (IN VOLGORDE VAN BELANGRIJKHEID)
- zachtaardigheid
- zwermtraagheid
- hoge resistentie tegen ziekten
- hoge honing opbrengt

Schiermonnikoog
Op ons waddeneiland Schiermonnikoog staan 50 volken. 50 schijnt genoeg te zijn om inteelt te voorkomen. Het is verboden (Algemene Politie Verordening) bijen op Schiermonnikoog in te voeren
Het is dus een gesloten populatie. Er wordt een bescheiden selectie uitgevoerd.
Jaarlijks kunnen imkers een moer van aldaar bestellen. In een grote nateelt actie worden honderden koninginnen gekweekt. Op dag X wordt in een alleraardigste actie PER TREIN de moeren over Nederland verdeeld. Twee verdelers vertrekken met de eerste trein met honderden koninginnen in hun bagage. Op afgesproken tijden staan imkers op stations klaar om de bevrucht kon. in ontvangst te nemen. De stoptrein van Franekker naar Maastricht, de ander naar Vlissingen en dan naar Den Helder. Kosten (2000) voor z'n "SCHIERMOER" Fl. 35,-
Vermeende eigenschappen; zachtaardigheid, zwermtraag.
 

Bijlage 1; werkschema met data.
 



Theorie les 6
- Combinatie van Aalsteren en doppen project
- Voeren, roven, uitbouwen van raat
- Inwinteren
- Hoofddrachtplanten

Uitleg van het werkschema
Zie bijlage 1

Voeren en roven
Er zijn drie vormen van voeren
- Stimulatief voeren of drijfvoeren
- Afvoeren of inwinteren
- Noodvoedering in het voorjaar
Stimulatief voeren of drijfvoeren
- Dit doet men bij een veger die dreigt te verhongeren, of tijdens de drachtlose periode juni/juli, om de koningin te stimuleren geen broedstop in te gelasten om dat er geen voedsel binnen gedragen wordt
**
- Voeren houdt altijd het risico van roverij in!
- Voer dus altijd 's avonds
- Mors niet met voer
- Verklein het vlieggat van kleine volkjes
- Afvoeren of inwinteren
Na de laatste oogst zie aldaar
- Noodvoedering in het voorjaar
Borstplaat** op de raten leggen, of in zeer ennstige gevallen, lauw suikerwater over de raten gieten
**Borstplaat recept:
5 delen suiker in 1 deel kokend water oplossen, onder voortdurend roeren., opkloppen met een garde. Uitgieten op een koud aanrecht. Voor het aan de bijen te geven eerst onderdompelen in water.

Inwinteren
Na de laatste oogst in half aug / begin sep wordt de bijen voor de "geroofde honing" suikerwater terug gegeven. Veelal is het zelfs gunstiger voor de bijen om op suikerwater te overwinteren; het bevat zeer weinig vaste bestanddelen, waardoor de endeldarm niet zo zal opgezwellen. Natuurlijk ontbreken wel de andere bestanddelen !!
Een normaal volk moet ongeveer 15 a 20 kg voer hebben om de winter door te komen. Dat is 12 a 16 kg suiker. Dat moet dus worden bijgevoerd. Als voer is kristalsuiker gebruikelijk. Als dit niet te vervuild is (veegsuiker) Het verbrand "asloos" zodat de winterzit geen problemen met een te gevulde endeldarm oplevert.
Toevoegingen hebben niet aangetoond betere resultaten te geven.
Suikerkristallen kunnen niet door de bijen worden opgenomen. Suiker moet eerst worden opgelost. Voor de bijen is het gunstiger hierbij zo weinig mogelijk water te gebruiken; dat moet immers weer worden verdampt, want de bijen behandelen het als binnen gekomen nectar. Het moet dus worden geinverteerd. Het kopen van invertsuikers (alleen glucose en fructose) is niet noodzakelijk en geeft geen betere resultaten, al willen handelaren anders doen geloven. Maar wel bespaard het aan werk van het oplossen van de suikers.
Kristalvorming van het wintervoer is natuurlijk ongewenst. Water is gedurende de winter niet te halen en suikerkristallen worden door de bijen de kast uitgedragen!!
Om kristalvorming tegen te gaan moet de suiker zo koud mogelijk worden opgelost. Verwarming doet de suiker sneller en gemakkelijker oplossen, maar de resultaten zijn er naar in de vorm van grote kristallen.
Grote hoeveelheden kunnen met een betonmixer of zelfs betonmolen worden verwerkt. OPTIMAAL IS DE VERHOUDING VAN 2 DELEN WATER MET 3 DELEN SUIKER.

Het tijdstip
Direckt na de honingafname moet er worden gevoerd. Bijen komen anders in een wanhopige situatie als ze kort voor de winter van hun wintervoorraad worden beroofd. Onder die omstandigheden kunnen ze knap lastig worden en een plaag voor de omgeving. Dezelfde avond een voerbak plaatsen voorkomt stress in het volk en ongenoegen bij de buren. Een beetje voedsel geeft bezigheid en lost alle problemen op. Vaak is het handiger om niet te veel voedsel in eens aan te bieden, de bijen zullen het zo snel mogelijk uit de voerbak halen en alle raten met het nog niet ingedikte voedsel voorzien. Naast het broed heeft dat tot gevolg dat de koningin totaal geen plaats meer heeft om nog enig ei te leggen. En er treden zeer onnatuurlijk situatie op. Beter is het LANGZAAM af te voeren, zodat het broednest tijd heeft naar onder verlegd te worden. 3 a 4 weken voor 15 kg is dus ±1,5 kg per week gemiddeld In het begin wat zuiniger, later als het broednest verplaatst is wat sneller.
Aan het eind van de voerperiode moet er gecontroleerd worden of de gewenst hoeveelheid ook echt is opgeslagen.
AANTAL dm2
Een kant Twee kanten Gewicht
1 dm2   0,25 kg.
4 dm2 2 dm2 1 kg.
10 dm2  5 dm2 2,5 kg.
60 dm2 20 dm2 15 kg.
Voeren doet men altijd tegen de avond, zodat er geen roverij tussen de volken zal optreden. Roverij is moeilijk te stoppen en gaat altijd ten koste van de volken met de zwakste wachtbijen. Helpen doet al als men de vliegopening verkleind, de wachtbijen hebben dan minder ruimte te verdedigen.
Een en ander moet omstreeks half september zijn afgesloten. Daarna worden de volken zoveel mogelijk met rust gelaten.

Hoofddrachtplanten
De bijen foerageren in een kring van ongeveer 6 kilometer diameter om de kast. Dat wordt ook wel de bijenweide genoemd. Veelal zal er op het platte land door de toenemende intensieve landbouw weinig tot niets meer te halen zijn. Hooguit kunnen braakliggende gronden een aardig bloemen aanbod geven. De gele, zover het oog rijkende koolzaadvelden in het nieuwe land (de polders) zijn helaas(?) ook verdwenen. Heide velden, een honing die door kenners hoog wordt ingeschat, zijn helaas....enz, enz, enz. Het gebied wat de laatste tientallen jaren steeds beter als bijenweide kan dienen is de stad. Parken, groenstroken en de vele tuinen staan borg voor een afwisselend nectar en stuifmeel aanbod. Wisselend in verscheidenheid van vele verschillende bloeiende bloemen, struiken en bomen.

De voornaamste stuifmeel bronnen
- voorjaar
Wilg, Prunus, Witte klaver, Kruisbloemfamlie, Tuinboon, Esdoorn, Fluitenkruid, Braam, Sporkehout, Rolklaver
- zomer
Witte klaver, Luguster, Wilg, Kruisbloemfamilie, Linde, Prunus, Braam, Robinia, Rolklaver, Korenbloem, Paardekastanje, Heggerank, Hondstong, Honingklaver, Sporkehout, Tamme kastanje.

Hoofddrachten
VOORJAAR
- Bolgewassen: sneeuwklokje, krokus, botanische tulpen, winteraconiet, blauwdruifje, sterhyacint
- Vaste planten en tweejarige planten: winterheide, grote dotter, judaspenning, muurbloem
- Heesters: skimnia, gele kornoelje, mahonia, buxus, ribes, berberis, dwergmispel
- Bomen: wilg, prunus, fruitbomen, sierappel, paardekastanje, esdoorn
ZOMER
- Eenjarige planten: vergeet-mij-niet, korenbloem, hondstong, slangekruid, zonnebloem, afrikaantje, begonia, cosmea, moerasbloem, zaaidahlia
- Tuinkruiden: borage, dille, rozemarijn, munt, bieslook, citroenmelisse, thijm, salie, hysop, marjolein
- Vaste planten: campanula, kaasjeskruid, sedum, salvia, zonnekruis, guldenroede, lavendel
- Bomen: acacia, lederboom, linde, honingboom, tamme kastanje
NAJAAR
- Bolgewassen: herfstloos, herfstkrokus
- Vaste planten: herfstaster, hemelsleutel, dropplant, herfstanemoon, zijdeplant
- Klimplanten: bruidssluier, wilde wingerd, klimop
- Heesters: cariopteris, heide



Theorie les 7a
-- Bijenproducten; was, honing, propolis, koninginnen-gelei, stuifmeel, bijenbrood en gif
- Zieketen en vijanden
- Wettelijke voorschriften; Alg. Politie Verordening, honingverkoop
 

Propolis is de hars die door bijen is verzameld op de knoppen van bomen en struiken als populier, conifeer, berk en beuk. De kleverige massa wordt ook aan de achterpoten vervoerd. Het is vaak zo taai dat andere bijen haalsters moeten helpen om het van de achterpoten te verwijderen. Propolis wordt gebruikt om het nest waterdicht te maken, en vooral alle scherpe hoeken af te ronden. Het heeft ook nog een sterke bacteriedodende werking.
Honing is zoals we reeds zagen de ingedikte nectar met een aantal enzymen er in. Verder treffen we geur en kleurstoffen en een kleine hoeveelheid stuifmeel aan. De enzymen komen zowel van klieren van de bij als ook van de planten waar de nectar en het stuifmeel gehaald werden.
Was waarvan de raten worden gemaakt wordt door de bijen "uitgezweet" Ze hebben aan de onderzijde van het achterlijf daarvoor zweet klieren.
Gif wordt geproduceerd in een klein blaasje in het achterlijf vlak bij de angel.
Koninginnen gelei is de naam voor het voedsel welk bewerkstelligd dat uit een bevrucht ei een koningin ontstaat. Er worden wonderlijke krachten aan toe gesproken. Eeuwige schoonheid en zo; wie wil dat niet....

Met wat geschikt kunnen dus uit een bijenvolk de volgende producten worden gewonnen:

De OOGST
Hoewel de oogst van al die mogelijke bijenproducten mogelijk is zullen we in deze cursus ons beperken tot de oogst van honing. Het is goed dat U weet dat het mogelijk is andere produktendan honing van een volk te oogsten.
HONING
De grondstof voor honing is nectar. Dit wordt in de plant in de bloemen via nectarklieren of nectariëen gevormd. Ook is het mogelijk dat er nectar elders op de plant wordt uitgescheden. We noemen dit de extra florale nectariëen. Verder is het mogelijk dat de bijen het afscheidingspropduct van boomluizen opnemen. De luizen zitten op de barst van een boom en doorboren deze om bij het voedersap te komen. Dit is vaak zo suikerrijk dat het uitscheidingsprodukt van deze beestjes nog voldoende suiker bevat om voor bijen aantrekkelijk te zijn als voedselbron. Honing van bladluis-nectar wordt veel in de dichte naaldboom bossen van het Zwarte Woud in Duitsland gewonnen. Tannenhoning aldaar, de duurste honing op de markt!!!. Bij ons onder de naam bladhoning. Meestal een zeer donkere en heeft een zware smaak.
Planten maken met koolzuurgas + water met behulp van zonlicht en bladgroen = suikers en zuurstof
Die suikers komen in vele vormen voor; de belangrijkste:
Meervoudige:
- sacharose
- maltose
Enkelvoudige:
- glucose (= druivensuiker, dextrose)
- fructose (fruit- of vruchtensuiker, laevulose)
De samen stelling van de nectar verschilt per plant
Al deze suikers komen ook in de honing terecht. Maar omdat saccharose niet direct verteerbaar is moet het eerst worden omgezet in enkelvoudige suikers. Dit geschied door de toevoeging van het enzym INVERTASE, wat ze in hun kop klieren produceren. Enzymen zijn door levende cellen gemaakte eiwitten. Het zijn de natuurlijke katalisatoren voor chemische reacties. Ze bevorderen dus een chemische reactie, zonder daarbij zelf te veranderen.
Naast dit enzym komen er nog andere enzymen in de honing voor. Deels doordat de bijen ze er aan toevoegen, deels omdat sommige stuifmeelkorrels enzymen bevatten.
Belangrijke zijn:
- amylase (oude naam: diastase)
- glucose-oxidase
- katalase
- phosphatase
Al deze enzymen verdwijnen na maanden, maar door verhitting (60°C) binnen uren. In de magnetron verdwijnen ze binnen een minuut!!!
Een van de gevolgen van de aanwezigheid van glucose-oxidase is de vorming van een natuurlijke waterstof peroxide. Brandwonden!!!!!!
Let op: binnenkort te koop; honingpleisters voor brandwonden!!!!
Zuren werken in op fructose onder vorming van HMF (hydroxy methyl furfural) Verhitten zal dit proces versnellen. Maar in het normale verouderings proces geschied dit ook. Oude honing bezit veel HMF Voor mensen is het niet schadelijk, maar voor bijen is het dodelijk. VOER GEEN OUDE HONING AAN BIJEN.
Bewaren kan men de honing het beste in de diepvries, allerlei verouderings processen worden dan op een zeer laag pitje gezet.
Hebben de bijen de nectar binnen gedragen met een gemiddeld suikergehalte van 20 a 25%, om daar houdbare honing van te maken moet het suikergehalte omhoog naar minimaal 80%. Onder dat gehalte zullen schimmels en bacteriŽn een vruchtbare voedingsbodem vinden. Bijen moeten het water in de nectar verdampen. Zij doen dat door het eerst in de maag te nemen en daarna op een warme plaats in het volk een weinig op te wurgen, er hangt dan een druppel tussen haar zuigsnuit en onderkant van haar kop.
Zodra het gehalte aan water voldoende is afgenomen wordt het boven in de kast opgeslagen en met een luchtdicht wasdekseltje afgesloten.

Het winnen van de honing
Het slingeren
Er mag alleen rijpe honing worden geslingerd. Daartoe moet minimaal 80% van de raat verzegeld zijn. Onrijpe honing heeft een zodanig watergehalte dat het na het slingeren een te hoog gehalte overblijft.
Veel imkers controleren hun volken regelmatig op geheel gesloten honingraampje, die onmiddellijk worden afgenomen. Lege ramen komen daarvoor in de plaats. Zij hopen met deze maatregel de bijen ijverig te houden. Raampjes worden al of niet onmiddellijk geslingerd. Te langwachten (op kamer temperatuur) geeft soms kristallisatie waardoor de honing niet meer te slingeren valt. Teruggeven aan de bijen is de enige oplossing. Maar de meeste imkers wachten tot de honingkamer geheel gevuld is, en alles in een keer geoogst kan worden.
Altijd moet wel gecontroleerd worden of er voldoende korte termijn nectar aanwezig is, zou er evt een slecht weer periode aankomen.
In de praktijk komt het er op neer dat er twee keer geoogst wordt; eenmaal na het voorjaar (mei)
eenmaal in augustus/begin sep
vanaf half mei is de uitbundige voorjaars bloei voorbij en treeds er een drachtlose periode op die tot juli zal duren. Na de lindebloei is het beste moment voor de zomeroogst.
Voor het slingeren moeten de wasdekseltjes worden verwijderd. Dit ontzegelen gebeurt vaak met een ontzegelvork. Maar grotere imkers gebruiken een verwarmd ontzegelmes. Voor nog grotere zijn er draaiende borstels die dat uitvoeren evt. in een machine. De ontzegelde raten komen in de slinger. Door de middelpuntvliedende kracht die bij het draaien optreed wordt de honing tegen de wand geslingerd en loopt naar beneden, waar zich een snijkraan bevind.
Er bestaan slingers voor twee-, drie-, vierramen
Dat slaat dan op de broedkamer maat; voor de honingkamer raampjes is dat meestal het dubbele.
Ook bestaan er nog grotere slingers waarin de raampjes in de richting van het middenpunt zijn gericht; radiale slingers (dit ten opzichte van tangentiale slingers. Vanzelfsprekend zijn er op al deze slingers ook motoren te zetten.
Voor het roestvrijstaal tijdperk werden slingers van hout , gegalvaniseerd staal, enz gemaakt. Het staal wer dan afgewerkt met een speciale verf!!
Tegenwoordig zijn er alleen nog maar RVS slingers te koop. Na het slingeren wordt de uitloop uit de slinger door een dubbele zeef in een opvangvat opgevangen. De RIJPER. Meestal ook RVS, nooit kunststof ex mayonaise vaten ÷÷..dat zal de honing direct verminken in smaak.
RIJPER
In de rijper moet de honing een aantal weken blijven. Liefs bij kamertemperatuur. De nog aanwezige was-deeltjes zullen boven komen drijven; en kunnen zo gemakkelijk verwijderd worden (afscheppen)

Kristallisatie
Kristallisatie in honing is uitsluitend te wijten aan het gehalte glucose tov de hoeveelheid fructose. Klaverhoning kristalliseert nooit, koolzaad honing zeer snel, soms al in de raat!.
Heeft men er geen acht op dan kunnen de kristallen zeer groot worden, waardoor ze op de tong scherp aanvoelen, ja zelfs zo hard dat het niet meer smeerbaar is.
Weer vloeibar maken door Au-bain Marie te verwarmen; niet hoger dan 50°C. Als men honing oogst waarvan men weet dat het gaat kristalliseren moet men maatregelen nemen om de kristallisatie in de hand te houden.
Volgende maatregelen zijn dan te treffen:
- goed roeren ( 1 a 2 x per dag)
vroeger met een driekante beuken staf, tegenwoordig met een RVS spiraal in een zware boormachine
- opslag bij ongeveer 12 -14 °C
- evt kristallen toevoegen om een begin te maken
 enten
IN KLAVERHONING KAN MEN EEUWIG ROEREN....
Als de kristallisatie van de honing zover gevorderd is dat zich strepen vormen bij het roeren (de gekistalliseerde is lichter in kleur) en de ontstane roergeul zich langzaam sluit is het tijd om het in potten te doen. Het bottelen.
Honing potjes worden in kokend water eerste gesteriliseerd, alvorens ze met honing te vullen.
Drogen aan de lucht omdat theedoeken altijd pluisjes geven.
Bedenk dat het een 'levensmiddel is, dus uiterste hygiëne is geboden!!! Handen wassen!!!!
De honing zal in de pot door kristalliseren, waardoor er een smeerbare gelei ontstaat.
CRÈME HONING!!
Wil men de honing verkopen dat gelden de voorschriften van de warenwet, gespecificeerd in het honingbesluit
Op een ETIKET MOET dan vermeld worden
- het woord honing**
- het netto gewicht in grammen
- naam en adres van de imker
- niet geschikt voor baby's tot 12 maanden
- datum van uiterste houdbaarheid
 "tenmiste houdbaar tot ......"
MOET, een afkorting tht MAG NIET
- een code nummer waardoor de partij terug te vinden is. Bv. 200508
Van de imker wordt verwacht dat hij daarover een boekhouding bijhoud.
**
Naast het woord HONING mag het jaargetijde aangegeven worden; dus voorjaars honing, zomer honing,
Ook mag er een geografische aanduiding op
b.v. Texelse honing, Landsmeer honing.
Verder mag een aanduiding van de soort gegeven worden, bv. Koolzaadhoning, zeeasterhoning, linde honing, enz, enz,
Dit laatste is bijzonder lastig omdat alleen een stuifmeelanalyse uitsluitsel kan geven over de bezochte planten, waarbij nog telt dat van de verzamelende stuifmeel maar weing in de honing terecht komt. Kenners doen dat op de geur.
Naast de geslingerde honing zijn er nog een aantal andere manieren om honing te oogsten. Bij ons niet zo gewaardeerd, maar in zuidelijke landen meer; honing nog in de raat. Sektie honing, (Am: comb honey) Eigenlijk een zeer voordelig systeem; geen ontzegelen, geen slingeren, geen potjes.
Verschillende systemen zijn daarvoor in de handel.
 
 



Theorie les 7b
- Ziekten en vijanden

GLOBALE INDELING
- virussen
- bacteriën
- predators
Natuurlijke afweer
Door de ingewikkelde samenleving, zo dicht op elkaar en die overdacht, onder elkaar, van voedsel (trophallaxis) , zou een ziekte snel om zich heen kunnen grijpen.
Enige aspecten om dat te voorkomen zijn:
- Poetsgedrag
- Verwijderen van zieke larven; waardoor besmetting grotendeel wordt voorkomen
- waterstof peroxide ontwikkeling door enzymen
- Grote gevoeligheid van de individuele bij, waardoor de ziek geworden haalbij het nest niet meer bereikt.
- Gebruik van propolis, dat bacteriedodend werkt
- Een voedselvoorraad, die steriel is en de ontwikkeling van bacteriegroei remt.
Ook de imker kan hygiŽnische maatregelen nemen en door selectie de natuurlijke afweer versterken
Hygiënische maatregelen als kasten ontsmetten, ed.

Roer
Een verschijnsel bij de bijen die aan diaree doet denken.
Dus geen oorzaak maar een gevolg
Voornaamste oorzaken
- fout voedsel
 - verontreinigingen in het voer
 - voer met zuren en zouten
 - bladhoning met veel melizitose (suiker)
 - verhitte honing met hoog HMF gehalte
- voege broedaanzet, moerloosheid
- ziekte
 - nosema
 - mijtziekte
Een selectie van ziekten en vijanden in het kader van deze cursus.
Nosema
Nosema lijkt het meeste op wat wij griep noemen.
Veroorzaakt door eencellige Nosema Apis (Zander) (protozoo) De Nosemaspore is ± 5um groot
Infectie via orale opnemen
Temperatuurgevoeligheid van nosemasporen
- groei-optimum 30-34°C
- <10°C stopt de ontwikkeling
- > 37°C dood vegetatieve stadia
- > 60°C dood sporen
Manifastatie veelal in maart-april-mei; gaat "vanzelf" weer over.
Mijtziekte (predator)
In de anatomie zagen we dat de longen (tracheeën) van een bij een vorm hebben als een "boom" met takken
Stigma zijn de "uitgangen"; ze zitten aan de zijkanten van de segmenten.
Een mijt, de Acarapis woodi, heeft zich gespecialiseerd om de eerste trachee binnen te dringen en aldaar de wanden te doorbreken en zich te goed te doen aan het bijenbloed (haemolymphe)
Varroa (predator)
Varroa is een mijt die zich vermeerderd in de broedcellen van werksters en darren. Doordat ze op dat moment voedsel opnemen door aan de larve te eten beschadigen ze deze. De larve wordt door die beschadiging gevoelig voor virussen.
De ziekte komt algemeen voor in de hele wereld en een afdoende therapie is helaas noch steeds niet ontdekt. Nu nog bestrijding door "een soort vapona strip" chemies dus of behandelingen met zuren.
Ook is het mogelijk door imkertechnische handelingen de varroa beheersbaar te krijgen.
Behandeld men volken niet tegen varroa dan zal het volk onherroepelijk ten onder gaan.
Muizen (predator)
Muizen willen nog al eens hun winterslaap in een bijenvolk doen. De genormaliseerde vliegopening van 20 mm hoogte bij de spaarkast, is helaas zo groot dat een muis er gemakkelijk door kan. Een zg. vul blokje verkleind de opening tot 10 mm.

De broedziekten
Allereerst de vervelendste Amerikaans vuilbroed, AVB.
Een ziekte die bij de rijksconsulent MOET worden gerapporteerd!!!
Een zeer besmettelijke ziekte door een bacillus.
De ziekte is zo besmettelijk dat als enige remedie de afvoer van AL het imkermateriaal inclusief de volken naar de vuilverbranding de enige oplossing is (stamping out)
Een medicijn is er niet.
(in Amerika wordt permanent antibiotica aan volken gegeven; dat zit dus ook in de honing!! Het voorkomt dat de spore van de bacil weer kiemt en zo weer miljoenen nieuwe sporen vormt. Het lost het probleem niet op. De sporen blijven aanwezig. VOER NOOIT VREEMDE HONING AAN JE BIJEN
De ziekte wordt voornamelijk door IMKERHANDELINGEN overgebracht, ook beroven is een manier van verspreiding. De sporen van deze bacterie zijn ZEER robuust en kunnen na vele tientallen jaren nog kiemen, en dus de ziekte weer laten uitbreken.
Het is mogelijk dat er sporen in een bijenvolk aanwezig zijn , maar dat het niet tot bacterie vorming komt.
Ziekte is te constateren door
- ingezakte dekseltjes op de broedcellen
- in de cellen een bruine draden trekkende drap
- stikt

Kalkbroed
Kalkbroed is een schimmelinfectie van het broed, veroorzaker Ascophers apis.de schimmel ontwikkeld mycelium, waarin sporen gevormd worden, die ongeveer 15 jaar kiemkrachtig blijven.
Larven overwinteren in de darmen van een volwassen bij. Larven worden besmet via voedsel of via de huid. Geïnfecteerde larven worden geel/wit, week en glad. Later worden ze hard. Aangetaste larven worden dor de bijen verwijderd.
De ziekte treed spontaan op in de zomer en is in het algemeen niet erg schadelijk. Een vochtige standplaats en grote temperatuurschommelingen hebben een nadelige invloed. Lichte aandoeningen gaan vanzelf over. Bij ernstige infectie verdient het aanbeveling de besmette raten te vervangen, de mul te verbranden, kasten te reinigen en zelfs de grond om de bijenstal om te spitten.



Wettelijke voorschriften:
Veelal zal het plaatsen van bijenvolken onderhevig zijn aan regels. Meestal zijn deze regels in de Plaatselijke Politie verordeningen vervat. Dus van gemeente tot gemeente anders
Meestal is een algemene regel:
Bijenvolken moeten minimaal 30 meter van de openbare weg worden geplaatst. Ook kunnen er
Regels gesteld worden over de hoogte van de haag om de bijenstand.

Noot van Jan Tempelman:Vanzelfsprekend zeeeeeer veel overschreven, VOORAL UIT HET VOORTREFFELIJKE CURSUSMATERIAAL VAN LEO VAN GELDEREN, RIJSWIJK