Een artikel uit het maandblad Bijenteelt van februari 1909.

Deze artikelen zijn ook via www.bijenhouden.nl te lezen een website van VBBN.

Het artikel is overgenomen en derhalve in de ‘oude’ spelling van 1909 weergegeven.

 

Hoe verkrijgt men groote oogsten? (Naar Dadant).

 

 

De bijenteelt bestaat uit kleinigheden, uit kleine zorgen, en juist opmerken. Als men daarvan spreekt over het onderwerp, uitgedrukt in het opschrift van dit opstel, dan mag het ge­ringste ons niet ontgaan en vraagt dit onze aandacht. Achter­eenvolgens moeten we de verschillende factoren, onderdeelen, van de bijenteelt nagaan, die te zamen het succes, het voor­deelig werken of de slechte uitkomst bepalen.

 

De verschillende factoren, die de bijenteelt beheerschen, zijn in in hoofdzaak de volgende:

De woning. — De koningin, — De werkbijen, — De darren,

De raten, — De voorraad. — De bijenweide, — Het systeem of de werkwijze.

Het is meermalen beweerd, dat de woning geen directen in­vloed uitoefent op de uitkomst. Een volk, dat zoo primitief, zoo eenvoudig mogelijk is gehuisvest, zou dan even goede uit­komsten geven, als één, in een kostbare woning. Maar wij voor ons meenen, dat het niet mogelijk is onze bijen naar be­hooren te hulp te komen, te ondersteunen zonder het inwendige der woningen te kunnen onderzoeken.

Daarom verdient het aanbeveling, dat de woningen met vaste bouw, langzamerhand plaats maken voor die met losse bouw. Het is echter overdreven om van alle systemen, soorten van woningen, er één slechts goed te keuren en alle andere te ver­oordeelen. Nochtans zijn er enkele zaken, die onafscheidelijk zijn van een goede woning.

 

Zij moet voldoende ruimte bezitten, voor het broednest en den wintervoorraad van een vruchtbaar en vlijtig volk, zonder door groote afmeting te veel warmteverlies te veroorzaken gedurende het koude jaargetijde.

Het broednest moet naar behoefte kunnen vergroot of verkleind worden. Het moet niet te hoog en ook niet te laag zijn. Een te lage woning overwintert niet gemakkelijk, omdat de voorraad over een te groot vlak is verspreid, en daardoor minder goed onder het bereik valt van een overwinterend volk, wat vooral het geval zal zijn bij langdurige koude. De eierlage is dan ook te verspreid en daardoor wordt het warm houden van het broednest voor de bijen moeilijk.

Een te hooge en nauwe woning geeft te weinig plaats voor honigkamers, ook als men de zij­kanten evenals boven gebruikt voor het verzamelen van den oogst.

Afgezien van deze voorwaarden, heeft de woning weinig in­vloed op de grootte van den oogst; als men maar de raampjes gemakkelijk kan hanteeren voor de verschillende handgrepen, als het nemen van een kunstzwerm, het onderzoek naar den voorraad enz De honingkamer moet gemakkelijk vergroot kunnen worden, omdat de voorraad in den drachttijd snel toe neemt en vaak maar kort duurt.

 

Heeft men eenmaal zijn keus gedaan, dan moet men zich houden aan één systeem. Vele zijn de onaangenaamheden van het houden van verschillende woningen in den stand, vooral als de raampjesgrootte verschillend is.

Wie eenmaal een goede woning heeft moet zich daar maar aan houden.

De [i] koningin[/i] is de meest belangrijke factor bij het ymkeren.

Wanneer ook alles in de puntjes op orde is en de koningin on­vruchtbaar zoo is alle moeite tevergeefsch. Daarom zoeken de meesters op t gebied van bijenteelt tot hoogen prijs onder al de bijenrassen de beste koninginnen.

De beste koninginnen uit de beste rassen geven het grootste voordeel. Het is met de bijen als met onze landbouwhuis­dieren, waarop men zich tegenwoordig zoo toelegt om het beste, wat is, te fokken en niet schroomt om zeer hooge prijzen voor iets goeds te betalen.

 Als het beste ras wordt vaak de Itali­aansche bij genoemd, vanwege de vruchtbaarheid, werkzaamheid, zachtheid en tonglengte. Maar hoe dit ook zij, onder ieder ras heeft men steeds individuen die uitmunten. Zulke koninginnen moet men trachten in zijn stand te hebben; de minderwaardige moet men zoo spoedig mogelijk door beste koninginnen vervan­gen. Als de hoofddracht ten einde loopt is het een geschikte tijd minderwaardige koninginnen door andere te vervangen.

De hoedanigheid der [i]werkbijen[/i] is onafscheidelijk van die der moer. Het staat buiten  allen twijfel, dat men op de hoedanig­heden der werkbijen te letten heeft bij de keuze van vermenig­vuldiging der koninginnen. Het is niet voldoende, of  de ko­ningin al vruchtbaar is, de werkbijen moeten vlijtig zijn. Vaak beoordeelt men de koninginnen naar de hoeveelheid honig, die verkregen is of naar het getal zwermen Het eerste verdient verre de voorkeur boven het laatste, want men kan gemakkelijk kunstzwermen maken, zoo men zwermen wenscht.

 

Bij de keuze der volken, zal men steeds die de voorkeur geven, welke t meest zachtaardig zijn.

Er zijn wel ymkers, die beweren, dat ze om de steek-lustigheid der bijen niets geven, en die zelfs zoover gaan, van vol te houden, dat de lastigste bijen de grootste opbrengsten geven. Zoo denkt evenwel ieder ervaren ymker er niet over; volgens hun oordeel geven de zachtaardigste bijen de beste oogsten, als overigens de omstandigheden gelijk zijn.

De meerdere of mindere lastigheid der bijen is evenwel ge­woonlijk een gevolg van de behandeling.

Wie zacht met zijn bijen omgaat houdt ze rustig.

De behandeling van steeklustige volken is zeer onaangenaam en geeft vaak aanleiding tot onaangenaamheden met buren, zon­der nog te spreken van de prikken, die men ze1f opdoet.

[i]De darren[/i] hebben een bijna even grooten invloed,als de ko­ningin, het is echter moeilijk om op het feit der    bevruchting invloed uit te oefenen. Dit maakt, dat de invloed der darren minder in ’t licht  treedt.

Wil men hierop inwerken, zoo moet men er voor zorgen vroeg of laat darren te hebben. Daartoe zoekt  men een paar uitstekende volken uit, die of  vroeg in ‘t jaar of laat sterk worden gevoerd, terwijl men in het broednest darrenraat plaatst.

Gebeurt dit laat in ‘t jaar, dan is men wel genoodzaakt het volk moerloos  te maken, daar anders het darrenbroed uit­geworpen wordt.

De koninginnen, die men dan fokt ,,zullen zeker door deze darren worden bevrucht.

 


Indien men vroeg in ‘t jaar koninginnen heeft gekweekt, zal de bevruchting meestal eene gewenschte zijn, omdat al heeft de bevruchting plaats door darren van een naburig volk, dan zal dit toch meestal een eerste klas volk wezen. Late koninginnen loopen echter kans door darren van naburige slechte volken bevrucht te worden.

Het is niet alleen goed voor de koninginneteelt, om bij een paar der beste volken darrenteelt te bevorderen, maar het is in ‘t algemeen wel aan te raden. De darren dezer volken zullen niet alleen onze eigen koninginnen bevruchten, maar ook de koninginnen der naburige volken, wat later weer aan eigen stand ten goede komt. Daarentegen zal men de darrenvorming bij de andere volken, vooral bij de middelmatige zooveel mogelijk tegengaan; hetzij door raampjes met darrenraat te vervangen door werkbijenraat, of door alle darrenraat zorgvuldig weg te snijden.

Het is bewezen, dat de darren veel honig verbruiken. Sommige ymkers beweren, dat de darren dienst doen om warmte voor ‘t broednest te vormen; ze vergeten echter, dat voor uitbroeden der darren zelf veel meer warmte noodig is geweest, en het dus zeker op een verlies uit komt.

 

Het verdient daarom alle aanbeveling darrenaanzet zooveel mogelijk tegen te gaan. Het geheel te beletten is niet mogelijk, hier en daar komen altijd wel eenige groote cellen voor. ‘t Is echter verkeerd toe te laten, dat de darren zich bij honderdtallen ont­wikkelen, dit loopt op schade uit. Enkele darren zijn immers voldoende voor de bevruchting. Op een groote stand is het voldoende, als men bij een paar krachtige volken darrenteelt bevordert, en deze bij de rest zooveel mogelijk onderdrukt. Het is ermee, als met den tuinman, die voor zaadwinning de beste planten uitzoekt.

S.
(Wordt vervolgd.)

Bijenstartpagina

www.bitsandbees.nl

 

Korven;

Kasten;

Behuizingen;