De groei van zo’n wintervolk begint reeds zeer vroeg
Meestal de 2e helft van januari, geheel afhankelijk van de weersomstandigheden.
De moer legt haar eerste eitjes in het midden van de tros, vanwege de temperatuur die in het midden van de tros het hoogste is.
In het broednest zal dan de temperatuur oplopen naar 35°C zodra er broed aanwezig is.
Hoe groter het broednest wordt, hoe meer voer er verbruikt zal worden.
De meeste volken, die van honger sterven, gaan dood in maart— april, het broednest is dan groot.
Hoe verder het bijenvolk als tros achter in de woning zit, hoe meer voer er verbruikt is.
Bij het gebruik van een losse bodemlade in de kast kan dat trajekt steeds gevolgd worden.
De reinigingsvlucht
Op het laatst van januari, begin februari bij een buitentemperatuur van ± 8 à 9°C in de schaduw verlaten de bijen de woning om de endeldarm te ledigen.
De moer gaat nooit mee, zij ontvangt geprepareerd voer van de werksterbijen.
Deze vlucht duurt meestal niet langer dan een uur en een normaal niet moerloos volk komt daarna gewoon weer tot rust.
Soms geeft zo’n reinigingsvlucht wat overlast in de omgeving, zoals;
– Bevuiling van de buitenhangende was,
– Vervuiling van het glas van tuinbouwkassen,
– Geparkeerde auto’s die vuil worden.
Volken, waarvan een aantal bijen zoekend in de omgeving van het vlieggat onrustig heen en weer lopen zijn meestal moerloos.
Moerloos betekent dat de koningin dood is door een of andere oorzaak.
Blijft de reinigingsvlucht te lang uit, dan ontstaat er roer.
Een te late reinigingsvlucht b.v. na een lange winterperiode of een rustverstoring bevordert het roergevaar, ook overwinteren op vooral heidehoning is slecht.
Voedselbehoefte
Hoe groter het broednest, hoe groter de behoefte aan voedsel. Als te weinig voer gegeven wordt in het najaar, moet de imker in het voorjaar vaak voeren, z.g. noodvoedering met suikerwater in een verhouding van één deel suiker en één deel water. Er heerst in het broednest een sterke werkverdeling, het volk past zich aan bijzondere omstandigheden aan, zo zijn er voedsterbijen, bouwbijen, wachtbijen, schoonmaakbijen, poetsbijen enz. De taak wordt verricht door “de oude bijen”, die in het najaar geboren werden, geen voedster- en bouwwerkzaamheden verrichtten en dus feitelijk “jong” bleven. De uitbreiding van het broednest gaat vrij regelmatig, bij goede dracht en goed weer, b.v. februari tot maart legt de moer veel eitjes. Bij slecht weer wordt de moer waarschijnlijk minder sterk door de bijen gevoerd en vermindert de ei-afzetting. Alles gebeurt instinctief, dus zonder “verstand” en er is dus geen “heerser” in de woning. Vroege voorjaarsbloeiers zoals de wilg, crocus, sneeuwklokje, winterheide enz , leveren zeer vroeg vers stuifmeel. Dit stuifmeel wordt opgeborgen om het broednest heen waar het het meeste nodig is als voer voor de uit het ei komende larfjes. Boven de stuifmeelgordel wordt de honing opgeborgen. De z.g. kantraten waar zeer veel stuifmeel in opgeborgen wordt door de bijen, sluiten het broednest af.
Voor het nieuwe broednest is noodzakelijk:
- Stuifmeel
- Warmte
- Water
Zorg dus voor een drinkplaats of z.g. bijenkroeg in de buurt van de bijenstal vooral in het voorjaar is dat van belang. Het bijenvolk heeft dan veel vocht nodig. De buitentemperatuur is dan nog laag, en de temperatuur in het volk bedraagt dan 36°C.
Door een lage luchtvochtigheid in het volk is dus veel water nodig om in het volk de luchtvochtigheid op 50% relatieve vochtigheid te houden. In het voorjaar sterven de “oude bijen” vrij snel af, zodra de jonge bijen uit komen. Deze jonge bijen knagen zelf de celdekseltjes stuk van de cel, waarin ze tot bij uitgroeien. De darren “snijden” met hun voorkaken het gehele celdeksel eraf.
Afwijkingen in het voorjaar.
- Hongerzwerm: Soms zeer vroeg in het voorjaar al een zwerm, maart — april. Dit is dan een zwerm uit een woning waar geen voedsel meer in zit. De bijen zoeken dan hun heil ergens anders. Een hongerzwerm is erg steeklustig, bijen konden geen voedsel mee nemen.
- Broedtrekken: Dit komt ook wel voor, vooral als de imker niet oplet of het sterk groeiende volk nog voldoende voer heeft. Het broed wordt dan door de bijen zelf uit decellen gehaald en buiten gebracht. Het volk gaat snel in sterkte achteruit. Wordt dikwijls aangeraden in het voorjaar, drijfvoeren is de volken met kleine beetjes voeren. Een bijenvolk is echter geen “automaat” en drijfvoeren geen wondermiddel. Onderzoekingen hebben bewezen, dat drijfvoeren geen nut heeft. Zorg voor voldoende voer in het najaar, zodat de bijen in het vroege voorjaar nog voldoende voer over hebben. Eventueel kan men de voeselvoorraad aan weerszijden van het broednest wat openkrabben (ontzegelen), dit geeft wel een goed effect.
- Toeneming van de volkssterkte: De ontwikkeling of uitbreiding van het volk neemt men eigenlijk pas goed waar, omstreeks mei, als als de natuur volop nectar en stuifmeel geeft. De zeer sterke uitbreiding dwingt a.h.w. het volk te gaan delen (zwermen). Het ene volk is eerder zwermrijp dan het andere, dit komt door de grote individuele verschillen zoals de samenstelling e.d. van het volk. De volken gelijk sterk maken is van groot belang, we kunnen dan de kunstzwermen gelijktijdig maken.
- Het zwermrijp worden: Wat zijn de kentekenen en volgorde van de zwermen?
Ver verwijderde zwermtekens:
- Het bouwen van darrenraat.
- Het beleggen van deze darrenraat (onbevruchte eitjes).
- Het uitkomen van de eerste darren.
Directe zwermtekens:
- Het aanzetten van speeldoppen.
- Het aanzetten van de eerste moercellen.
- Het beleggen van moercellen, meestal direct na het aanzetten.
- Als de eerste moercel gesloten is, kan de voor-, brom-, brand- of eerste zwerm afkomen.
We spreken nu van een zwermrijp volk
De moercellen, dat kunnen er meerdere zijn,- worden niet allemaal op dezelfde dag aangezet. Het baardmaken, d.i. als de bijen, vooral op warme dagen, in zeer grote getale luieren aan het vlieggat van korf of kast a.h.w. een zeer grote baard vormen. Ook het ophouden met bouwen is een zwermteken, dit is vooral bij korven duidelijk waar te nemen. We spreken dan van “scherp” of “stomp” staan. Cellen worden tot aan de onderkant van de raat volledig uitgebouwd.
Een volk dat zwermplannen heeft is niet meer actief (baardmaken) en voor de honingoogst onvoordelig. Als het weer gunstig is, komt, als de eerste dop gesloten is, de voorzwerm af. Dit gebeurt meestal in de middaguren. De zwerm vliegt niet ver weg, gaat niet hoog hangen en vliegt, als ze eventueel niet geschept wordt, niet snel weg.
Hoe is het normale zwermverloop?
| Moerdop | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
| Belegd juni | 1 | 2 | 2 | 2 | 3 | 4 | 4 |
| Verzegeld | 9, voorzwerm komt af | 10 | 10 | 10 | 11 | 12 | 12 |
| Rijp | 16 | 17 | 17 | 17 | 18 | 19, nazwerm komt af | 19 |
De eerste jonge moer van 16 juni gaat direct, nadat ze uit de cel is gekropen, op zoek naar voedsel / honing, dat meestal wel in de buurt van de doppen is. Vervolgens gaat ze “tuten” hoe en waarmee dit gebeurt is nog steeds niet duidelijk. Wel is waargenomen, dat de moer de poten strekt en haar lichaam tegen de raten aandrukt. We horen dan een langgerekt tuut — tuut — tuut, als een in gesprek zijnde telefoon. De jonge moer loopt vrij snel onrustig over de raten. De jonge moeren in dop 2- 3 of 4 zijn rijp en volgroeid op 17 juni. Deze verlaten de cellen niet, maar bijten een klein gaatje in het celdeksel. Hier door geven de werkbijen hun voedsel aan. Zolang echter de “eerstgeboren” moer tuut, blijven deze moeren rustig in haar celletjes en laten met tussenpozen een “kwakend” geluid horen. Dit “kwaken” is vooral ‘s avonds goed te horen. Wanneer er in een volk 1 tutende en verdere kwakende moeren zijn, kan de zgn. nazwerm afkomen, meestal komt deze zwerm pas af als de jonge tutende moer 2 à 3 dagen oud is op 19 juni. We zeggen meestal dat de nazwerm 8 — 11 dagen na de voorzwerm afkomt. Een nazwerm is niet erg kieskeurig wat het weer betreft. Een nazwerm komt op niet vastgestelde tijd af, ‘s-morgens, zowel als ‘s-middags, gaat verder weg en meestal hoger hangen, soms in gedeelten, en vliegt sneller weg als het niet geschept wordt.
Een voorzwerm bestaat uit één oude leggende moer en ongeveer de helft van de bijen. Een nazwerm bestaat uit meerdere jonge onbevruchte, dus nog niet leggende moeren en ongeveer de helft van de in de woning nog aanwezige bijen. Soms geeft het oorspronkelijke volk nog een nazwermpje na 3 à 4 dagen na de laaste nazwerm. Dit zwermverloop gaat weer precies eender als bij de hierboven beschreven nazwerm, dus weer met een tuter en meerdere kwakers. Vaak bijt het afgezwermde volk de doppen af, nadat de eerste of tweede nazwerm is afgevlogen. Zo’n volk geeft dan verdere zwermplannen op en de jonge moeren, die nog in de cellen zitten, worden gedood en uit de cellen verwijderd. Een uitgebeten dop is te herkennen doordat de bijen in de dop terzijde een groot gat gebeten hebben. Een uitgelopen dop is geheel intact, alleen het celdeksel is verwijderd of hangt er soms nog losjes aan vast. Een afgezwermd volk heeft nu dus één jonge onbevruchte moer, die meestal 10 à 12 dagen na haar geboorte weer met de opbouw van een nieuw broednest begint, n.l. eitjes leggen nadat zij bevrucht is. Deze bevruchting geschiedt tijdens de paring met een aantal van 10 tot 20 darren, buiten de woning, hoog in de lucht. We spreken dan van de zgn. ‘bruidsvlucht”. Deze duurt ca. 10 à 15 minuten, nadat te voren de jonge moer orienteringsvluchten heeft gemaakt. Niets in de omgeving van de stal dient te veranderen i.v.m. het eventueel vervliegen van de moer. Na de bevruchting keert de moer terug met het zgn. bevruchtingsteken zijnde de geslachtsdelen van de dar. Dit bevruchtingsteken wordt door de bijen verwijderd. De paring gebeurt voor het gehele leven van de moer ca. 4 à 5 jaar. Een jonge bevruchte moer begint meestal pas te leggen als het broed van de oude koningin uitgelopen is. De eerste eitjes zet de moer meestal pas 2 à 3 dagen na de paring, d.i. ± 21 dagen na het afkomen van de voorzwerm, toen de leggende moer met de zwerm wegging. De nieuwe broednestvorming begint op de middelste raten vlak achter het vlieggat. Hier trekt het volk zich samen. Na 6 à 8 weken is zo’n volk weer flink ontwikkeld.
Voorbereiding voor de winterrust: Darrenslacht
- Als de jonge moer bevrucht is, zijn de darren niet meer nodig.
- De darren krijgen geen eiwitrijk voer meer.
- Binnenkomende darren worden aangevallen en gedood.
Wintervoorraad
- Honing — suiker — stuifmeel wordt opgeslagen.
- De vliegbijen zijn erg actief.
Broednest
- Dit wordt langzaam ingekrompen.
- Honing en stuifmeel wordt in de lege cellen opgeslagen.
- Indien nodig worden nieuwe raten gebouwd, deze zijn zuiver wit.
- Verzegeling van de laatste binnengebrachte honing.
- Het volk wordt minder actief.
- Bijentros verzamelt zich op het uitlopend broed waardoor hier lege cellen ontstaan.
- Vorming van de wintertros.
De inwintering: Welke volken kiezen we voor opzetters?
Alleen de beste volken, met een goede leggende, liefst jonge moer worden opgezet waarvan de moer liefst niet ouder is dan 2 à 3 jaar. Afstamming en aard van de volken:
- De ratenbouw moet goed zijn, in een korf zijn aan de achterkant de raten langer dan aan de voorkant.
- Geen darrenraat in het broednest, dus bij kasten geen raten met “grof” werk.
- Zoveel mogelijk “fijn” werk of werksterraat.
- Hoe is de legcapaciteit van de moer?
- Het volk moet veel jonge bijen bezitten en niet steeklustig zijn.
Hiertoe aantekeningen maken gedurende het gehele jaar, en dit vast leggen op een kastkaart.
Hoeveelheid voedsel.
Een korf moet na het voeren ± 20 à 25 pond bruto wegen, dat zijn bijen + voer + raat en korf samen. Een korf moet ± 20 pond verzegeld voer bevatten, een kast 14 kilo invertsuiker of 12 ½ kg suikeroplossing met een verhouding van 3 suiker op 2 delen water. 1 dm2 aan beide zijden verzegeld raat weegt één pond.
Vooral het wintervoedsel tijdig geven, d.i. omstreeks 25 september gereed zijn met invoeren. Dit lijkt vroeg, maar als we nagaan, dat het gegeven voer ingedikt en opgeslagen dient te worden, is 25 september niet te vroeg.
De meeste volken, die in het voorjaar sterven kregen in het najaar of:
- Te weinig voedsel
- Het voedsel te laat in oktober— november, zodat het voedsel niet meer opgenomen en verzegeld kon worden waardoor gisting van het voer kan ontstaan.
Geen enkel bijenvolk komt in ons klimaat door kou om, dan moeten de temperaturen 35°C onder nul zijn.
Bijen kunnen nogal wat verdragen, als het hun maar niet aan voldoende voer en verse lucht ontbreekt en ze maar niet gestoord worden.
Het overmatig dik inpakken gedurende de winter is overbodig, vooral als de zo nodige ventilatie hierdoor in gevaar komt. Zorg voor:
- Voldoende voer
- Tijdig gegeven
- Goed voor de bijen bereikbaar
- Geen vochtige woning
- Geen tocht
- En vooral rust tijdens de winter
